De overheid en het overblijfsel

Het Overblijfsel

Hoofdstuk 7 van 22·76 min leestijd·Leonard Verduin
35%

Veel mensen zullen raar opkijken als ze horen zeggen: "door heel de Middeleeuwen heen was er een Overblijfsel." Ze vragen zich af of de spreker soms in een sprookjeswereld is geweest. Horen ze dat dit Overblijfsel rechtzinnig dacht, dan zéggen ze dat de spreker in een sprookjeswereld is geweest. En horen ze dat wij in de Verenigde Staten het Eerste Amendement aan het Overblijfsel te danken hebben, dan vermoeden ze dat de spreker in een sprookjeswereld op de loonlijst staat. Maar wat als de spreker nu eens volhoudt dat hij nog nooit in de buurt van een sprookjeswereld is geweest? Dat hij, als hij iets wil leren, naar de dichtstbijzijnde bibliotheek gaat — naar de boeken, het liefst oude getuigenissen?

Uit zulke getuigenissen, meest oude, leren we dat er een Overblijfsel wás. Toegegeven: de boeken zijn allesbehalve talrijk. Er zijn maar weinig exemplaren over. Daar zijn twee redenen voor. De eerste: voor leden van het Overblijfsel was iets op schrift stellen een vorm van zelfmoord. De tweede: de mensen van het "christendom" loerden door heel de Middeleeuwen heen op geschriften uit het Overblijfsel. Ze namen ze in beslag en gaven ze aan de autoriteiten — en die gooiden de geschriften én de schrijvers in het vuur. Dat gebeurde zó stelselmatig dat het een wonder is dat er überhaupt iets bewaard is gebleven.

Er is nog een tweede moeilijkheid. Het "christendom" heeft zijn eigen geschiedschrijving voortgebracht, zijn eigen manier van geschiedenis "doen". Die gaat uit van één aanname: de geschiedenis van het christelijk geloof lijkt op die van een mens. Ze begint als kind, wordt volwassen, en blijft dan volwassen. De doorsnee-historicus van vandaag zit nog altijd vast aan die gekleurde geschiedschrijving. Schrijft iemand mét oog voor het Overblijfsel, dan belandt zijn boek al gauw in de prullenbak. Zo verging het professor Ebrard, die we al noemden. Hij schreef verschillende boeken waarin het Overblijfsel de plaats krijgt die het verdient. Die boeken liggen nu onder het stof — omdat hun schrijver brak met de heersende geschiedschrijving. Hetzelfde overkwam Ludwig Keller. Ook zijn boeken zijn vrijwel weggelegd. Zó sterk is de greep van deze misleidende geschiedschrijving, die het "christendom" uitvond om alles zijn kant op te laten wijzen. Historici zeggen tot op vandaag dat het christelijk geloof Noordwest-Europa pas rond het jaar 600 bereikte. Terwijl een goed onderlegde vroege schrijver — Tertullianus, we haalden hem al aan — zei dat het er vier eeuwen eerder al wás.

Het klimaat verandert. Tot voor kort gold: wil een christen voorouders hebben, dan moet hij ze zoeken in het "christendom". Maar die zogenaamde voorouder is verdwenen, dankzij het klimaat waarin het Eerste Amendement opkwam. Vandaag kan zo iemand zijn band met het verleden misschien terugvinden via het Overblijfsel. Die verandering belooft een andere geschiedschrijving — de geschiedschrijving die in dit boek doorklinkt.

In dit hoofdstuk willen we vijf dingen doen (niet per se in deze volgorde, want in de bronnen loopt alles door elkaar): (a.) laten zien dat er een Overblijfsel wás; (b.) dat het talrijk was; (c.) dat het eerbiedwaardig oud was; (d.) dat het rechtzinnig was; (e.) dat in het hart ervan een mode d'intégration lag die afweek van die van het "christendom".

We richten ons op Vlaanderen. Daarmee zeggen we niet dat Vlaanderen anders was dan de rest van Noordwest-Europa. Eén reden is dat Vlaanderen grondiger is "uitgekamd" dan de meeste streken. Dat is te danken aan Paul Fredericq, die met hulp van zijn studenten vijf dikke delen uitbracht: het Corpus Documentorum Inquisitionis Haereticae Pravitatis Neerlandicae. (Er is nog een tweede reden: de voorouders van de schrijver zijn enkele generaties geleden uit Vlaanderen geëmigreerd.) Deze vijf delen bestrijken het veld goed en hebben voortreffelijke registers. Daarom citeren we vooral daaruit. We moeten er wel bij zeggen dat de toelichtingen in de vijf delen in het Nederlands zijn gesteld — een drempel, helaas, voor veel buitenlandse onderzoekers.

We beginnen met de namen. Het was het "christendom" dat al die verschillende smaadnamen voor het Overblijfsel heeft uitgevonden. Waarom? Ongetwijfeld om het gewone volk niet te laten zien dat het rivaliserende geloof overal hetzélfde was. Het moest lijken op een verzameling losse afwijkingen. Zoals we zullen zien, werd er vaak een hele rij namen opgezegd zodra de "ketters" ter sprake kwamen. De "ketters" zelf hadden zo'n hekel aan dit beleid, dat ze de rij namen — als ze hem al aanhaalden — terugbrachten tot beginletters. In een geschrift van het Overblijfsel wordt het Overblijfsel zo aangeduid: "lo petit tropel des vrayes Chrestiens appelle falsement et par fals noms p.o.v.o.b." — "het kleine kuddeke van ware christenen, vals en met valse namen genoemd p.o.v.o.b." Let op: de mensen van het Overblijfsel wisten dat ze, vergeleken met het "christendom", een kleine groep vormden. Maar dan wel een groep van ware, echte christenen. Ze noemden zichzelf ook "arm". Dat kun je opvatten als "beklagenswaardig", maar ook gewoon als: niet rijk. Eén van hun verwijten aan het "christendom" was juist dat alleen zijn leiders in weelde leefden. De "ketters" waren "arm" in beide opzichten. En waar staan die beginletters voor? Waarschijnlijk voor "Picarden" of "Vaudois" of "Bougres". "Picarden" was een heel gewone naam voor mensen van het Overblijfsel. Hij hangt samen met de Franse provincie Picardië, die in de Middeleeuwen vol "ketters" zat. Je kunt je zelfs afvragen: is de provincie naar de "ketters" genoemd, of de "ketters" naar de provincie? De o, die twee keer voorkomt, is het Franse "ou": ons "of". De v is van "Vaudois", "dalbewoners" — het woord waar ons "Waldenzen" van lijkt te komen. Al kan het ook komen van de naam Waldo, een man die in het Overblijfsel een rol speelde. De b is vrijwel zeker van "Bougres", dat samenhangt met "Bulgarije". Van dit "Bougres" stamt het Engelse scheldwoord "bugger" af. Woordvoerders van het "christendom" beweerden namelijk dat de leden van het Overblijfsel bij hun Agape, hun liefdemaaltijd, ontucht bedreven.

Nog zo'n smaadnaam van het "christendom" was "Lollard". Het woord is familie van het Engelse "lullaby", wiegelied. Het ontstond doordat de "ketters" hun overtuigingen neuriënd zongen. Dat was minder gevaarlijk dan ze uitspreken — en misschien wel doeltreffender ook. De meeste geschiedenisboeken zeggen dat de Lollarden in Engeland begonnen, bij Wyclif. Dat klopt niet. De naam "Lollarden" is van Vlaamse oorsprong, en hij klonk al in Vlaanderen vóór Wyclif geboren was. De beweging is in Vlaanderen geboren. Haar leden weken uit naar Engeland om te kunnen overleven, zoals leden van het Overblijfsel zo vaak deden. Misschien was Wyclif zelf wel een bekeerling van de Vlaamse Lollarden. Het zal de gewone lezer verbazen dat Shakespeare de Lollarden kende, tot hun gedachtegoed toe (dat zien we verderop in dit hoofdstuk). En een deel van de Lollarden bleef gewoon op het vasteland. In het jaar 1380 leefde en stierf bij Utrecht een man die Matthijs Lollaert heette. Toen uitkwam dat hij een Lollard was geweest, werd zijn lichaam opgegraven en tot as verbrand. Die as werd uitgestrooid over de straten van Utrecht — een stad een eind ten noorden van Vlaanderen.

We zeiden al: het "christendom" verzon namen voor het Overblijfsel. Luister maar naar een van zijn woordvoerders: "Deze huichelaars geven zichzelf allerlei namen, maar hun echte naam noemen ze niet, en die is: ketters. In plaats daarvan noemen ze zich 'de ware kerk' of 'de vrienden van God' of 'Gods armen', en meer van zulke namen." Deze spreker wilde de mensen van het Overblijfsel "ketters" noemen omdat het keuzemakers waren, veroorzakers van compositisme. En op dát punt had hij gelijk. Want zelf kiezen — dat lag inderdaad in het hart van het gedachtegoed van het Overblijfsel.

We staan dubbel bij Paul Fredericq in de schuld. Hij stelde niet alleen de vijf delen samen, hij schreef ook: "De Inquisitie, dat vreselijke werktuig..., was al volledig in bedrijf lang voordat Luther zijn stellingen aansloeg." Zelden is er iets gezegd dat zó waar is — en dat zó nodig gezegd moest worden.

Het wordt duidelijk, daarvan zijn we overtuigd: door heel de Middeleeuwen heen was er werkelijk een Overblijfsel. En het wordt duidelijk dat er een geschiedschrijving is die de deur uit moet. Gebeurt dat, dan komen dingen als het volgende niet meer voor. De geleerde Martin Schoock (over wie we nog veel meer zullen horen) schreef scherpzinnig dat in Metz "het zuivere evangelie heel gemakkelijk gepredikt kon worden" — hij doelt op de begintijd van de Reformatie — "vanwege de drie eeuwen van Waldenzische activiteit daar." Een latere hoogleraar, Lindeboom, meende daarop te moeten antwoorden, gedreven door de gebrekkige geschiedschrijving: "Zeer weinigen zouden in onze tijd behoefte voelen aan de verklaring die Schoock hier aanvoert." Goed — maar dan is dit toch zeker de vraag: hoe verklaar je het dán? Want dat Metz zo ontvankelijk was voor de prediking van "het zuivere evangelie", staat vast.

We voegen daaraan toe dat in onze eigen tijd een andere Nederlandse hoogleraar, Berkouwer, een tweedelige kerkgeschiedenis heeft uitgebracht (al in het Engels vertaald en in één band uitgegeven) waarin vrijwel geen verwijzing naar het Overblijfsel voorkomt.

Het wordt tijd om niet langer doof te blijven voor Ludwig Keller — bibliothecaris van beroep, en dus kind aan huis bij zeldzame boeken. Hij schreef: "Het is kinderlijk om het volgende te geloven. Een omvangrijke godsdienstige beweging"— hij doelt op de doperse beweging — "komt in 1522 op, in een welomlijnde vorm, met vaste naam, met helder verwoorde beginselen waaraan streng wordt vastgehouden, in fel verzet tegen Luther én de katholieken. En die beweging zou in 1517 zomaar uit de grond zijn geschoten? In het leven geroepen door de geschriften van een man tegen wiens leer ze zich van meet af aan verzette?... Wij weten met zekerheid dat er rond 1500 al broederschappen waren die door hun vijanden Waldenzen werden genoemd. Maar wat er in 1517 van hen geworden is — niemand die het zelfs maar vraagt. Hoe dan ook: in 1522 verschijnen deze broederschappen, in dezelfde streken, en ze geloven in wezen hetzelfde als de oude broederschappen. En dan mogen ze, zo heet het, niet met die eerdere broederschappen in verband worden gebracht. Ook niet met een nieuwe gedaante van de oudere gemeenschappen. Nee, ze moeten 'een nieuwe en nieuwsoortige sekte' heten." Keller noemt dit faliekant verkeerd, en daar moeten we mee stoppen. Tenminste, als we de oorsprong van het Eerste Amendement willen begrijpen. Het is ook tijd om de historicus Ludemann serieus te nemen. In zijn Reformation und Täufertum schrijft hij over de doperse beweging in de tijd van de Reformatie: "Ze was een herhaling van de begrippen en denkbeelden die steeds weer zichtbaar waren geweest tegenover de katholieke wereldkerk. Die waren er ondanks de vervolgingen nog altijd — het bewijs dat die neigingen en overtuigingen nog leefden... De doperse beweging was niet het wortelloze, plotseling opbarstende verschijnsel waarvoor ze is gehouden." Het was uit het Overblijfsel dat het gedachtegoed achter het Eerste Amendement kwam. (Zolang dat niet gekend en aanvaard wordt, blijft de foute gewoonte bestaan om het Amendement een kind van de Franse Revolutie te noemen. Het wordt er zelfs erger op.)

De mensen van het Overblijfsel hadden een vurige afkeer van het ex opere operato — het begrip dat het "christendom" had uitgevonden om zijn mode d'intégration overeind te houden. Het verbaast dus niet dat er in 1114 vier van zulke "ketters" werden opgepakt om deze uitspraak: "het wezen van brood en wijn wordt niet veranderd in het lichaam van Christus..." Om dezelfde "dwaling" werden er "ketters" verbrand in Trier, en ook in Utrecht. En het verbaast niet wat doopsgezinden in de tijd van de Reformatie over de leden van het "christendom" zeiden: "hun derde dwaling is dat ze het water van de doop, en ook het brood, 'sacramenten' noemen en ervoor houden dat ze dat zijn."

En het hoeft niemand te verbazen dat we in een traktaat uit het Overblijfsel, La Nobla Leczon geheten, lezen:

"Ik durf het te zeggen, want het is de waarheid: alle pausen die op Sylvester volgden" — volgens de middeleeuwse overlevering was Sylvester paus toen het "christendom" geboren werd — "tot op de huidige dag, plus alle kardinalen, bisschoppen en abten bij elkaar: ze missen de macht om ook maar één zonde te vergeven. Alleen God vergeeft. Niemand anders kan dat." Even weinig verbaast wat andere "ketters" van het Overblijfsel zeiden. De één: "In het uur waarin een zondaar zucht" — bedoeld is de zucht van berouw — "is hij behouden, en de Heere zegt: 'Ik zal er niet meer aan denken!'" De ander: "Het Woord van God is verlossing voor de ziel van de arme" — let opnieuw op de afkeer van weelde — "versterking voor de zwakke, voedsel voor de hongerige, onderwijs voor de gelovige, troost voor de getuchtigde, het einde van de laster en het verwerven van deugd." En in nóg zo'n traktaat, de Cantica, lezen we: "Zoals wie door de vijand wordt aangevallen naar een sterke toren vlucht, zo nemen de aangevochten heiligen hun toevlucht tot de Heilige Schrift. Daar vinden ze wapens tegen ketters" — bedoeld zijn hier natuurlijk de leden van de "katholieke" kerk — "een wapenrusting tegen de aanvallen van de duivel, de aanvechtingen van het vlees, en tegen de glorie van de wereld."

In de tijd vóór de Reformatie werd over de leden van het Overblijfsel gezegd: "Zij kennen de Apostolische Geloofsbelijdenis heel goed, in de volkstaal. Ze leren de Evangeliën en de nieuwtestamentische geschriften uit het hoofd, in de volkstaal, en zeggen ze elkaar voor... Ik heb een jonge koeienhoeder gezien die zó goed geluisterd had, dat hij binnen dat jaar veertig zondagsevangeliën uit het hoofd kende, uit Mattheüs en Lukas — vooral de uitspraken van Christus daarin. Hij kon ze opzeggen zonder haperen, met hier en daar amper een woord verkeerd."

Die opmerking — "hier en daar een woord verkeerd" — zegt iets. De mensen van het Overblijfsel volgden óf een andere handschriftentekst, óf ze vertaalden een woord op hun eigen manier. Eén ding weten we zeker: de woorden "tollenaar" en "zondaar" vertaalden ze met "uffen sunder", Duits voor "openbare zondaar". En daarmee doelden ze op de leden van het "christendom": die "zondigden openlijk". In hún leer was de verlossing immers alleen maar vergeving. Geen vernieuwing, geen wedergeboorte die zichtbaar wordt in hoe je leeft. Interessant: Luther had de misvertaling rechtgezet en vertaalde "tollenaar" correct met "Zöllner", belastingontvanger. Maar de vertaling van de mennonieten — die erfgenamen van het Overblijfsel — hield op sommige plaatsen de oude vertaling aan. (Wéér een bewijs dat de dopers een voortzetting van het Overblijfsel waren.)

Door heel de Middeleeuwen heen was het een cliché dat de mensen van het Overblijfsel "mutins" waren: mensen die een gevaar vormen voor de burgerlijke overheid. Die beschuldiging was beslist vals. Maar hoe ze ontstond, is goed te begrijpen. De mensen van het "christendom" kenden de gedachte van twee genades niet eens. Voor hen hoorden kerk en staat bij elkaar als schering en inslag in één lap stof. Dáár kwam het verwijt vandaan. Een vertrouwde woordvoerder van het "christendom", Sint-Victor, zei: "Leken die als koningen dienen, zijn de linkerzijde van het lichaam van Christus; de geestelijkheid is de rechterzijde. Beide zijden, samen één 'christendom', hebben elk hun eigen hiërarchie: de ene wereldlijk, de andere kerkelijk." Zo verklaarde ook de geestelijke Petrus Damiani, rond het jaar 1000: "Zoals in een mysterie het menselijke en het goddelijke samenvloeien in de Christus, zo vloeien, eveneens in een mysterie, regnum" — de overheid — "en sacerdotium" — de priesterstand — "samen." De mensen van het Overblijfsel geloofden iets anders. God heeft twéé genadeprogramma's lopen, niet één. En die twee mag je niet verwarren, al moeten ze wel op elkaar betrokken worden. Dáárom werden ze "mutins" genoemd. Bewijs dat ze werkelijk tot wetteloosheid neigden, is er niet. Integendeel. In de tijd van de Reformatie sloop een lutherse predikant (tegen de voorschriften in) een dienst van de dopers binnen, die erfgenamen van het Overblijfsel. Zijn oordeel: "niets beviel me zo goed als de gebeden voor de burgerlijke overheid." De stad Turijn, in Italië, was berucht om haar vele "ketters". Daarom kreeg Turijn het verwijt "voedster en leermeesteres van opstand tegen het rijk" te zijn, een kweekschool van mutins. Een aantoonbaar valse aanklacht.

Het valt te betreuren dat Maarten Luther de oude beschuldiging herhaalde dat de dopers mutins waren, toen hij zei: "Hoewel de wederdopers de overheid willen afschaffen, moet die gehandhaafd blijven." (Luther had eens moeten praten met de lutherse predikant over wie we zojuist spraken; dat gesprek zou hem gecorrigeerd hebben.)

Waren de mensen van het Overblijfsel rechtzinnig in de leer? Luister naar William van Newburgh, een vertrouwde dienaar van het "christendom": "Toen ze één voor één ondervraagd werden over de artikelen van het geloof, antwoordden ze juist over het wezen van de hemelse Geneesheer. Maar verkeerd over het geneesmiddel waarmee Hij de menselijke zwakheid wil genezen: de heilige sacramenten. Ze verwerpen plechtig de doop, de eucharistie en het huwelijk. Zo durven ze op goddeloze wijze afbreuk te doen aan de katholieke eenheid die door deze steunpilaren gedragen wordt." Wij zeggen alleen maar: raak geformuleerd! De mensen van het Overblijfsel verwierpen de steunpilaren, omdat ze het gebouw verworpen hadden waarvoor die steunpilaren waren uitgevonden.

In vrijwel elke opsomming van de "dwalingen" van het Overblijfsel wordt de verwerping genoemd van de gedachte dat "sacramenten" de verlossing zouden aanreiken. Bijvoorbeeld in het volgende:

"Zij preken veel uit de Evangeliën en de Brieven. Ze zeggen onder andere dat een mens geen kwaad mag doen, niet mag liegen en niet mag zweren." — Hier horen we het al: voor de mensen van het Overblijfsel hoorde een godvruchtig leven bij de verlossing. — "Wanneer ze uit de Evangeliën en de Brieven preken, bederven ze die met hun uitleg. Als meesters van de dwaling weten ze niet wat het is om aan de voeten van de waarheid te zitten; prediken en Schriftuitleg zijn aan leken immers volstrekt verboden. Ze zeggen dat hún kerk de ware is. De Roomse Kerk is volgens hen niet de ware Kerk, maar de kerk van de kwaaddoeners." — Dat wijst op Psalm 26:5. Daarin zagen de mensen van het Overblijfsel de kerk van het "christendom": het gezelschap waarvan de psalmist zegt dat hij het "haat". — "Ze veroordelen de rijkdom van de kerk en de kerkelijke voorrechten van bisschoppen en abten. Ze willen alle kerkelijke voorrechten afschaffen. Ze houden vol dat niemand tot het geloof gedwongen kan worden. Ze veroordelen de sacramenten van de Kerk. Priesters die in zonde leven, zeggen ze, kunnen het lichaam van Christus niet maken. En de transsubstantiatie vindt niet plaats in de hand van een priester..., maar in het hart van wie haar waardig ontvangt."

Eén geschrift uit het Overblijfsel ontsnapte aan de toorn van het "christendom": het Netz des Glaubens, "Het net van het geloof". Het beschuldigt de leden van het "christendom" ervan dat ze "leven als heidenen, zonder in Christus te willen geloven. Ze willen alleen maar oppervlakkig, een heel klein beetje, bedekt zijn met het huidje van de waterdoop — en ondertussen blijven ze verscheurende wolven." Hier wordt twee keer nee gezegd. Nee tegen een sacrament dat de verlossing zou bezorgen. En nee tegen het schrappen van de vernieuwingskant van het zaligmakende geloof.

We hebben nu herhaaldelijk gezegd dat het Overblijfsel rechtzinnig was in de theologie. Maar waren er in de Middeleeuwen óók andersdenkenden die dat níét waren? Waren er bijvoorbeeld aanhangers van het dualisme? Toegegeven: die beschuldiging klonk al vroeg, en vaak. Bijvoorbeeld in de geschriften van Augustinus. Hij was zelf bekeerd uit het manicheïsme, een door en door dualistische godsdienst. En bij zijn aanvallen op de Donatisten greep hij telkens weer naar de techniek die hij op zichzelf had toegepast toen hij van het manicheïsme loskwam. Dat was beslist oneerlijk van hem, want de Donatisten waren geen dualisten in hun denken. Maar het wérkte wel. Natuurlijk: wie kerk en staat als één lichaam ziet, kan iedereen die zegt dat het er twee zijn een dualist noemen. Dat deed Augustinus. Als het geloof dat God twee ijzers in het vuur heeft, twee genades, je tot dualist maakt — dan waren de mensen van het Overblijfsel inderdaad dualisten. Maar dan was Jezus het ook. Hij maakte immers onderscheid tussen het "Koninkrijk der hemelen" en het "koninkrijk van deze wereld". (Het is waar dat dualistische bewegingen in de loop van de tijd de zaak van Christus geschaad hebben. Maar even waar is dat het monisme minstens zoveel schade heeft aangericht.) Robert Grundmann was misschien iets te stellig toen hij schreef: "Er was in de Europese Middeleeuwen geen spoor van dualisme." Dualistische trekken waren er wel — bijvoorbeeld bij de Albigenzen.

Maar Ebrard zat op het goede spoor toen hij schreef: "De grondfout van de heersende voorstelling is deze. Zodra mensen het woord 'ketter' horen, denken ze meteen, zonder verder nadenken, aan een gnostische sekte. En dat terwijl de verstandigere en eerlijkere ketterbestrijders van de Middeleeuwen heel duidelijk onderscheid maakten tussen twee soorten ketters." Daar zijn we het hartgrondig mee eens. Nee, de "ketters" van de hoofdstroom waren geen dualisten. Henry C. Lea — nog altijd een van de best geïnformeerde historici op dit gebied — heeft gelijk als hij zegt:

"Aan de ene kant hebben we sektariërs die vasthouden aan alle wezenlijke onderdelen van het christelijk geloof" — bedoeld is het Overblijfsel — "en aan de andere kant hebben we de 'manicheeërs', die dualisten waren." Op het standpunt dat Lea hier inneemt, valt niets af te dingen.

Op het punt van het dualisme verschillen we hier van mening met professor Berkouwer, waar hij zegt dat de dopers uit de tijd van de Reformatie aanhangers waren van "uitgesproken dualisme". Het was omdat hij nog gevangenzat in de gebrekkige geschiedschrijving, dat Berkouwer over de dopers zei wat hij zei.

Het Overblijfsel begon, zo opperden we, met het Donatisme. Daar moeten we even bij stilstaan. We zijn het herhaaldelijk oneens geweest met Augustinus, maar nu geven we hem volmondig gelijk. Over de Donatisten zei hij: "Inter nos et Donatistas quaestio est, ubi sit hoc corpus, id est, ubi sit ecclesia" — "Het geschil tussen ons en de Donatisten is de vraag wáár dit lichaam, dat wil zeggen: de Kerk, zich bevindt." De Donatisten hielden vol: sinds het christelijk geloof werd omgevormd tot het "christendom" "is het onkruid toegenomen, maar de tarwe afgenomen". Ze verafschuwden de samensmelting van kerk en staat zó, dat ze beweerden: "agrum Dei in sola Africa remansisse" — "alleen in Afrika bestaat de kerk nog". Professor Frend, nog altijd een vooraanstaande autoriteit op dit terrein, zegt het zó: "Het zou een vergissing zijn om in het Donatisme een bewust anti-keizerlijke beweging te zien... Donatisme en katholicisme waren twee tegengestelde richtingen. De twee kerken waren in feite twee samenlevingen, die fundamenteel verschilden in hun kijk op godsdienstige én maatschappelijke vragen... Stond de Kerk bínnen het Romeinse Rijk, als steun van de christelijke keizer en gesteund dóór hem? Of was het Rijk de vertegenwoordiger van de 'buitenwereld', waarvan een christen zich moet afzonderen om te groeien in het geloof? Het geschil ging niet om 'waarheid' tegenover 'ketterij', maar om twee tegengestelde houdingen tegenover de samenleving." Kortom: het was een kwestie van mode d'intégration. Geen wonder dus dat de dopers in de tijd van de Reformatie — toen de strijd tussen de twee modes d'intégration op zijn heftigst was — even vaak "Donatisten" en "neo-donatisten" werden genoemd als "wederdopers". En het klinkt ons ook niet vreemd meer in de oren dat Beda Venerabilis tegen het einde van het jaar 735 zei: "In het bondgenootschap van Constantijn en Sylvester begon de antichrist zich te openbaren... de onderdrukking van de Donatisten was daarvan slechts het voorspel."

Nu we weten wat er in het hart lag van de twist tussen het "christendom" en het Overblijfsel — namelijk de vraag of God één ijzer in het vuur heeft of twee — verbaast het ons niet een lid van het Overblijfsel te horen zeggen:

"Door geweld wordt niemand tot het geloof gebracht. De kans daarop is even klein als dat iemand Tsjechisch leert door Duits te studeren. Door middel van de wereldlijke macht heeft de antichrist alle macht naar zich toe getrokken, onder de dekmantel van het christelijk geloof. Wij geloven dat Jezus ons verlost heeft uit de macht van de satan door zachtmoedigheid en nederigheid, tot aan het kruis toe. Daarom kunnen wij niet toegeven dat ons geloof voltooid zou worden langs de weg van wereldlijke macht — alsof geweld een grotere weldaad zou zijn dan geloof. Toen keizer Constantijn, nog in zijn heidense staat, in de Kerk werd opgenomen en met uiterlijke heerschappij werd toegerust, was de verwoesting van de Kerk onafwendbaar."

In een van de bewaard gebleven geschriften van het Overblijfsel lezen we: "De priesters laten het volk omkomen van honger en dorst naar het horen van het Woord van God... Niet alleen weigeren ze tot op deze dag zelf het Woord van God te horen en aan te nemen, maar ze maken ook wetten en vaardigen voorschriften uit zoals het hun belieft, als de verkondiging van het Woord maar wordt tegengehouden. De stad Sodom zal eerder vergeving vinden dan zij."

Met het oog op zulke geschriften zei de deken van Kamerijk dit: "Hieruit blijkt hoe gevaarlijk het is dat leken de Schrift in de volkstaal bezitten en blijven stilstaan bij de letterlijke betekenis, met voorbijgaan van de morele en allegorische betekenis — die zich tot de letterlijke verhoudt als de kern tot de schil."

De mensen van het Overblijfsel keurden het af dat de priesters van het "christendom" "vaders" heetten. Waarom? Dat is de moeite van het nagaan waard. Het lijkt zó gegaan te zijn. In de taal van die tijd "verwekten" vaders: ze plantten een zaad. De moeder "droeg" dat zaad — eerst in haar schoot, daarna op haar armen. Zij "voedde" wat de vader had "geplant". In de Constantijnse synthese werd deze kijk op de voortplanting overgebracht naar het geestelijke vlak. Zoals een jongeman bij zijn puberteit het vermogen krijgt om te verwekken, zo zou een priester bij zijn wijding het vermogen krijgen om geestelijk te "verwekken". Wij weten nu dat die oude voorstelling van de voortplanting beslist niet klopt: de aanstaande moeder draagt net zo werkelijk bij als de aanstaande vader. Hadden de mensen van het Overblijfsel dat al aangevoeld? Dat is moeilijk te geloven, en zeker moeilijk te bewijzen. Maar opmerkelijk is het wél: in het kamp van het Overblijfsel heetten de tegenhangers van de priesters soms geen "vaders", maar "ooms". Was dat omdat niemand ooit zal zeggen dat hij door zijn oom is "verwekt"? (En opnieuw zien we hier de familieband tussen het Overblijfsel en de dopers. Ook bij de dopers heetten de geestelijke leiders soms "Ohm", in het Hoogduits, of "Oom", in het Nederduits en het Nederlands.)

De mensen van het Overblijfsel hadden een afkeer van kathedralen. Dat hoeft niemand te verbazen, want de middeleeuwse kathedralen waren de architectonische belichaming van het "christendom". De mensen van het Overblijfsel noemden de kathedralen cumuli lapidum, dat is "steenhopen". (Het is interessant, en ongetwijfeld veelzeggend, dat er sinds de bekrachtiging van het Eerste Amendement een einde is gekomen aan het bouwen van kathedralen.) Hilarius van Poitiers (die we al eerder tegenkwamen) was tegen de omvorming van het christelijk geloof tot "christendom"; geen wonder dat hij niet van kathedralen hield. Hij schreef: "Wacht u voor de antichrist! Want, droevig genoeg, een liefde voor muren heeft u in haar greep gekregen.

Droevig genoeg bestaat de kerk die u vereert uit gebouwen en huizen. Droevig genoeg denkt u dáárin vrede te vinden. Maar twijfelt iemand eraan dat juist dáár de antichrist zal zetelen? Mij zijn de bergen en de bossen veiliger, de meren en de grotten. Want dáár woonden de profeten toen ze hun profetieën spraken." Hilarius dacht terug aan de dagen waarin de christenen nog samenkwamen in conventikels, in grotten en kelders, om te kunnen overleven. Hij verliet de "gevallen" kerk niet. Maar hij wist diep vanbinnen van haar "val". Daarom horen we hem klagen: "De kerk jaagt nu schrik aan met dreigingen van verbanning en kerker. Zij die vroeger bekeerlingen won ondánks verbanning en kerker, brengt de mensen nu binnen met dwang. Zij die verbreid werd door opgejaagde priesters, jaagt nu zelf priesters op. Dat moet gezegd worden, in vergelijking met de Kerk die ons is overgeleverd maar die we nu kwijt zijn. De feiten liggen voor ieders ogen en schreeuwen het uit."

Het Net van het geloof van het Overblijfsel, waarover we spraken, zei dit over de weelderige gebouwen die het "christendom" optrok: "Ze zeggen dat de vroege kerk bedroefd was. Maar ik houd staande dat ze daarin niet verkeerd was. Want vanaf de dood van Christus tot de dagen van Constantijn leefden allen die de Naam van Christus aanriepen als verworpen volk, onder grote druk... Christus, en wie Hem trouw waren, werden door de volken vervloekt en tot de dood toe opgejaagd. Zó bestond de eerste kerk — zwaar, in de ogen van de dwazen. Maar de latere kerk leidt een vrolijk leven, omringd door rijkdom en de lof van de wereld. Ze heeft zich omringd met de wapens van de wereld. Zo kan ze in vrede neerliggen, vrolijk zingen, aan een rijkgedekte tafel zitten en languit liggen op een zacht rustbed... De kerk, die zogenaamd de Heilige Geest volledig bezit, meent de verlossing van de mensheid te kunnen beheren." — Let op: dáár is het ex opere operato weer. — "Ze maakt nooit een fout. Ze doet geen afbreuk aan de eer en lof van God, want de Heilige Geest woont in haar. Hij heeft al Zijn schatten in haar neergelegd, en zij grondvest tot in eeuwigheid Zijn vertroosting in haar tabernakel — een die veel rijker is dan die van de apostelen! Wat een leugen! Wie heeft er ooit een grotere verteld? Welke duivel heeft ooit hoogmoediger en ijdeler gepocht dan de kerk, wanneer ze zichzelf verheft boven alles wat God geopenbaard heeft? De hoer heeft een verbond gesloten met de Heilige Geest. En ze geeft onderwijs in de gemeenschap die het bloed vergiet van prijzenswaardige mensen." Hier verheft het Overblijfsel zijn stem — al liep het nog mee in de optocht van de kerk van het "christendom". En let op het slot van de klacht: die eindigt met het voorbeeldige leven van de leden van de "ware" kerk, "prijzenswaardige mensen".

Krijg je uit zulke citaten de indruk dat andersdenkenden dun gezaaid waren? Het tegendeel is waar. Ze waren talrijk — van het begin af, of ze zijn het geworden. We lezen over de Middeleeuwen: "In alle steden van Lombardije en de Provence en andere streken zijn er meer scholen van de ketters dan van de theologen." (Met de "theologen" zijn de pleitbezorgers van het "christendom" bedoeld.) Die "scholen" van de "ketters" waren vermoedelijk ondergrondse plekken waar toekomstige leiders van het Overblijfsel werden opgeleid. Hoe talrijk de leden waren? Er werd gezegd dat een lid te voet van Antwerpen naar Italië kon reizen en elke nacht kon slapen bij een geloofsgenoot. Een geschreven ledenlijst had het Overblijfsel vast niet. Werd zo'n lijst gevonden, dan betekende dat massale terechtstellingen. Nee, ze hadden geheime tekens en symbolen, alleen bij leden bekend. Zoals het dragen van een houten stok — in plaats van een zwaard, zoals de mensen van het "christendom" maar al te vaak droegen. Die houten stok noemden ze hun "Israël". Waarschijnlijk een bewuste omvorming van "Azaël", dat "kracht van God" betekent. Blijkbaar zetten ze de lijn voort van de vroege christenen in Noordwest-Europa. Die droegen een wandelstok die gambutta heette (wat dat woord betekent, is nog altijd niet ontdekt). En ontmoetten ze een "vreemde", dan tekenden ze een geheime figuur in het zand of de sneeuw. Was de "vreemde" een ingewijde, dan wist hij: wie dit teken maakt, is een "ketter". (De omtrek van een vis, die we in onze tijd nog zien, komt hoogstwaarschijnlijk uit het Overblijfsel.)

Het gewone volk in een stad of streek was het Overblijfsel duidelijk goedgezind. Hun afkeer gold juist de lieden die bij het "christendom" "op de loonlijst stonden" en de telkens oplaaiende jacht op "ketters" aanvoerden. Een voorbeeld van die volksgezindheid. Vóór het aanslaan van Luthers stellingen haalde de deken van Atrecht (in Vlaanderen) de plaatselijke magistraat over om een grote groep "ketters" in zijn gebied uit de weg te ruimen. Hele gezinnen werden uitgeroeid. Korte tijd later trad er een nieuw stadsbestuur aan. Dat probeerde het onrecht aan de mensen van het Overblijfsel goed te maken. Er werd een groot podium gebouwd. Daarop mochten degenen plaatsnemen aan wie de magistraat zijn verontschuldigingen aanbood, terwijl de verontschuldiging werd voorgelezen. En er kwam een wet "die de bisschop van Atrecht en zijn beambten en rechters... voortaan het gebruik van foltertechnieken verbiedt: het onmenselijke folteren met de cappelet, vuur bij de voetzolen, het gedwongen drinken van olie of azijn, het slaan op de onderbuik — dit alles op straffe van arrestatie en verdiende bestraffing!"

Hebben we nog meer bewijs nodig dat het Overblijfsel bestond — en dat gevangenschap erbij hoorde? In 1524, maar een paar jaar nadat Luther in het nieuws was gekomen, verscheen er een boekje zonder naam van schrijver of uitgever: de Trostbrief, Duits voor "troostbrief". Het was gericht aan "dienaren van de christelijke kerk te Worms, mensen die de christelijke belijdenis doen en gevangenliggen in Mainz, Rugaw en andere plaatsen in het bisdom, onze geliefde broeders". In het voorwoord lezen we: "Wij, door Gods genade de bisschoppen en oudsten van de christelijke gemeenschap te Worms" — dat zijn leiders van het Overblijfsel — "aan de heilige apostelen en Godskenners, die nu omwille van Christus Jezus en Zijn Woord gevangenzitten en in doodsgevaar verkeren in Mainz. Uw leven is bekend, geliefde broeders. En uw vertrouwen op God is wijd en zijd bekend, en zonder vervalsing verkondigd aan het kleine kuddeke van Christus — zo'n getuigenis hebt u van zeer velen, en van godvruchtige mensen. De bisschoppen en oudsten van de christelijke kerk weten zeker dat u zich in uw onderwijs dappere, edelmoedige en toegewijde mannen hebt betoond. Mannen die hun geloofsvrijheid nu zullen bewaren, zonder enig wankelen." In het boekje staat dat deze mensen "gewonnen zijn met het Woord van Christus". Alle Bijbelcitaten erin komen uit een ándere Duitse vertaling dan die van Luther. Het boekje is dus zonder twijfel door mensen van het Overblijfsel samengesteld. En het is gericht aan mensen die in 1524 gevangenlagen omdat ze al lange tijd "het Woord getrouw gepredikt" hadden. Dat is het sluitende bewijs: dit kwam uit het Overblijfsel, en de aangeschrevenen waren leden van de gemeenschap van het Overblijfsel, de "kerk" van het Overblijfsel. (Een geschiedschrijving die haar ogen opzettelijk gesloten houdt voor zulke mensen, moet wel misleiden — en ernstig.)

In de tijd van de Reformatie werd over de dopers en hun praktijk van het opnieuw dopen gezegd: "Wie hiermee begonnen is — daarover zwijgen de bronnen." Dat kan maar één ding betekenen: er stond niets nieuws op het toneel. Geen nieuw gedachtegoed en geen nieuwe praktijk. En zo was het. Al vroeg in de vierde eeuw werd verordend: "Wie een tweede doop bedient, moet ter dood gebracht worden." En al in de wetboeken van Justinianus lezen we: "Wie herdoopt blijkt te hebben, moet als een misdadiger behandeld en ter dood gebracht worden."

Er is bewijs dat het dopen-voor-de-tweede-keer ook in Engeland voorkwam, en wel heel vroeg, toen het "christendom" daar bezig was de macht over te nemen. De vroege kerk in Brittannië "kerstende" niet. Een man met de naam Herebold, al "gekerstend" door het binnendringende "christendom", werd door de inheemse kerk daar opnieuw gedoopt — omdat hij bij zijn eerste doop nog geen blijk had gegeven van de bereidheid om een "veranderd" leven te leiden. Zo lezen we ook op het vasteland, in 1524, over zes mannen en twee vrouwen dat zij "net als hun voorouders al tachtig jaar het Heilige Sacrament hadden genegeerd" — tachtig jaar was de spanne van het geheugen in het leven van ongeletterde mensen. De geschiedenis van het negeren van het "Heilige Sacrament" ging ongetwijfeld verder terug — hoevéél verder zullen we nooit weten, zo schaars als geschreven bronnen zijn.

De mensen van het Overblijfsel zochten voortdurend naar manieren om hun geloof uit te dragen zonder ervoor terechtgesteld te worden. Het zachtjes zingen van de Lollarden zagen we al. Er is reden om aan te nemen dat er ook een familieband bestond tussen het Overblijfsel en de rederijkerskamers. De kamers waren een protestbeweging die bloeide lang vóór Luther. Vrijwel elke stad in de Lage Landen had er een. Een trouwe zoon van het "christendom", Renom de France, schetste ze zó: "Een aantal komedianten, retorici genaamd, bederft de zeden van het volk met toneelstukken waarin het gewone volk plezier heeft. Telkens wordt er een arme monnik of non belachelijk gemaakt. Het lijkt wel of de mensen zich niet kunnen vermaken zonder God en Zijn kerk te bespotten." Waren de kamers er dus op uit om het geloof belachelijk te maken? Nee. Wij durven te zeggen dat ze juist het echte christelijk geloof wilden bevorderen. Het bewijs: een van de populairste "spelen" die de kamers ooit opvoerden, draaide om de vraag "Wat is de grootste troost voor een stervende mens?" Het winnende spel gaf dit antwoord: "Het geloof in de verzoenende dood van Jezus Christus." De boodschap was duidelijk. Niet de doop, bediend door een gewijde priester van het "christendom", redt een mens — maar het geloof in de verzoenende dood van Christus. De kamers bestonden al vóór de komst van Luther, en gingen daarna door. In het jaar 1559 hing er in Brussel een plakkaat dat verbood "liederen te verspreiden, de spelen, de kamervertoningen, de toneelspelen, liederen, figuren, voorstellingen of vertoningen met sprekende of zwijgende figuren — zonder verleende toestemming. Na de toestemming mogen er geen wijzigingen in de tekst worden aangebracht — dit alles op straffe van zekere strenge straffen." Die laatste bepaling stond er niet voor niets: er werd na de goedkeuring nogal eens bijgedicht. En de spelen van de kamers leken zóveel op wat de Reformatoren publiceerden, dat we ze in de vroege lijsten van "verboden boeken" telkens naast de vroege geschriften van de Reformatoren vinden.

Er is alle reden om een familieband aan te nemen tussen de kamers en de kerken die later "gereformeerd" zouden heten. Toen deze kerken in 1563 de notulen van hun vergaderingen in druk begonnen te geven, droegen de plaatselijke gemeenten nog altijd de bloemrijke namen van de plaatselijke kamer. Veelzeggend is ook dat verscheidene mannen in de vroege gereformeerde kerken actief waren geweest in de kamers. Een vooraanstaande onder hen: de schoonvader van Arminius — de man om wie later de grote synode bijeengeroepen werd.

Hoewel theologen en historici de kamers meestal links laten liggen, deden tijdgenoten dat niet. Kijk maar: een Engelsman die voor zaken in Antwerpen woonde, schreef aan zijn werkgever in Londen, na de kamers genoemd te hebben: "Door hen werd het Woord van God in dit land het eerst geopend", en hij voegde eraan toe dat exemplaren van wat de kamers voortbrachten "veel strenger verboden zijn dan welke van de boeken van Maarten Luther ook." Tijdgenoten zagen dus wél een verbindingslijn tussen het Overblijfsel en de Reformatie in haar eerste ogenblikken.

Nu we enige tijd hebben stilgestaan bij de mogelijke band tussen het Overblijfsel en de rederijkerskamers, geven we in overweging om ook te onderzoeken of er zo'n band bestaat met de Broeders van het Gemene Leven, onder wie Geert Grote een voorname plaats innam, en eveneens met de Souterliedekens, vroege berijmingen van de Psalmen, waarvan de oorsprong nog altijd volstrekt onzeker en onopgehelderd is.

Eén ding wordt zo langzamerhand duidelijk. Er waren allerlei uitbarstingen van verzet tegen het "christendom", in denkbeelden én in gedrag. Maar ze hadden één ding gemeen: afkeer van de veralgemening die met de geboorte van het "christendom" was meegekomen. Precies de afkeer die in het hart van het Overblijfsel lag. Een tijdgenoot schreef — en dat werpt het nodige licht op de zaak: "Er zijn veel sekten. Vele zijn goed thuis in de Schrift, die ze in Duitse vertaling bezitten. Anderen herhalen de doop. Anderen geloven niet in het lichaam van de Heere. Anderen zeggen dat het lichaam van de Heere door iedere man of vrouw, gewijd of niet, in iedere schotel of beker en op iedere plaats kan worden toebereid. Anderen vinden het laatste oliesel niet nodig. Anderen kleineren het pausschap of het priesterschap. Anderen zeggen dat het gebed voor de doden geen nut heeft. Anderen verwaarlozen de feestdagen, werken op de heilige dagen van de Kerk en eten vlees in de vastentijd." Al deze "ketters" waren duidelijk van één soort, want alle genoemde punten komen in het Overblijfsel voor. Probeerde de man van het "christendom" die dit alles opsomde, soms te verhullen dat al deze "ketters" in de grond gelijk waren?

Daar kwam nog een beschuldiging bij: deze "ketters" zouden de gewoonte hebben "bleke mannen en zelfs katten te kussen". (Op die bleekheid komen we nog terug.) Hoe kwam het verhaal van het "katten kussen" in de wereld? Waarschijnlijk zó. De ongeletterde mensen van die tijd hoorden de "ketters" "kathaar" noemen — dat betekent "gereinigde". Zij verstonden: "kater", het Nederduitse woord voor een mannetjeskat. Uit die verwarring kwam voort dat vrouwelijke "ketters" geregeld "Tibbe" heetten, het Nederduitse woord voor een vrouwtjeskat (verwant aan het Engelse "tabby cat"). En uit die taalkundige vergissing werd de beschuldiging van het "katten kussen" geboren. Want de mensen van het Overblijfsel namen Romeinen 16:16 ernstig en letterlijk: "Groet elkaar met een heilige kus." Het was dát kussen dat de legende deed ontstaan dat de "ketters" "katten kusten".

De mensen van het Overblijfsel moesten niets hebben van de transsubstantiatie. Toch vertoonden ze zich af en toe bij de katholieke mis — nét vaak genoeg om de "ketterjagers" van het "christendom" van hun spoor te houden. (Op deze praktijk komen we verderop in dit boek terug.) Ze is "nicodemisme" gaan heten, naar Nicodemus, de man die in het donker naar Jezus ging om niet herkend te worden. Ook in de tijd van de Reformatie waren er erfgenamen van het Overblijfsel die het nicodemisme in praktijk brachten. Zo horen we een man vertellen dat hij aan de katholieke mis had deelgenomen en het misbrood had aangenomen — maar probeerde het niet door te slikken. De gewoonte was om het uit te spugen: in een zakdoek (nog binnen het gebouw) of in een struikgewas (erbuiten). Deze man vertelde aan iemand die hij vertrouwde — ongetwijfeld een medelid van het Overblijfsel — dat het "element" "zu rasch hinabgerutzt" was: "te snel naar binnen gegleden". En dan dit. Wanneer het "lichaam van de Heere" door de straat werd rondgedragen, moest iedereen zich er aanbiddend voor buigen. Eén man — vrijwel zeker een lid van het Overblijfsel — wilde niet betrapt worden op het "aanbidden van een stukje brood". Hij had daarom de gewoonte om achter het dichtstbijzijnde gebouw te stappen, alsof hij aan een natuurlijke behoefte gehoor gaf. Hij deed dat te vaak. Hij werd gearresteerd en kreeg de gebruikelijke straf.

Het was de gewoonte dat mannen eerbiedig hun hoed afnamen wanneer het "element" voorbijkwam. Met het oog dáárop gaven de "ketters" hun verwanten een opdracht: zorg dat er bij mijn begrafenis een hoed op mijn hoofd ligt. Zo wilden ze vrijuit gaan van de beschuldiging ooit een stukje brood aanbeden te hebben. Deze praktijk leidde er vervolgens toe dat het "christendom" dreigde elke priester te degraderen die voorging bij de begrafenis van een dode met een hoed op (Corpus II:142). We lezen ook over een "ketter" die bij de mis aanwezig was — maar met in elk oog de lege dop van een walnoot, en één in zijn mond.

Een van de smaadnamen die het "christendom" uitvond voor de leden van het Overblijfsel was "papelard". De oorsprong van het woord wordt (zoals gewoonlijk) niet vermeld, maar de betekenis laat zich vrij zeker verklaren. Het achtervoegsel "-ard" is kleinerend; denk aan "dronkaard", "bastaard", "lafaard" en "luiaard". En "papel" is vrij zeker een dialectvorm van "papier" — in sommige Franse dialecten wisselen de r en de l stuivertje. Klopt dat, dan betekende "papelard" zoiets als "papierschurk". Een spotnaam, gemunt op de hoge achting voor wat op papier stond: vertalingen van de Schrift, zoals die in het Overblijfsel leefden.

We weten dat de mensen van het Overblijfsel de Schrift hoog hadden staan. Zó hoog, dat ze hele boeken van het Nieuwe Testament uit het hoofd leerden. Ze beheersten de samenhang en de betekenis van het Woord van God zó goed, dat de woordvoerders van het "christendom" niet tegen hen opgewassen waren. Daarom raadde een geestelijke van het "christendom" zijn ambtgenoten aan om niet met een "ketter" in discussie te gaan. In plaats daarvan: "steek uw zwaard zo diep mogelijk in de buik van die man." Zó bang waren de woordvoerders van het "christendom" voor bekendheid met de inhoud van de Schrift, dat een van hen zei: "Ik ga met anderen een kruistocht organiseren om de koning door zijn onderdanen te laten verdrijven, als hij toelaat dat het 'evangelie' gepredikt wordt." Met dat "evangelie" bedoelde hij: de prediking van het Overblijfsel, door de "ooms", zoals we zagen.

Nu we het vernederende woord "papelard" besproken hebben, past hier een gedicht dat zijn ontstaan ongetwijfeld aan het Overblijfsel dankt. (We geven de Middelnederlandse regels weer, met daarnaast een weergave in hedendaags Nederlands. Ritme en rijm bewaren we enigszins.)

"Nu comt hier voert gi papelarde ("Kom uit je schuilhoek, papelard, Ghi metten grisen langen barde Jij met je lange grijze baard,

Die al volmaket schinen willet Die zich de volmaaktste toont van al, Ende al benijdt en al beghillet En luid de rest bekritiseert;

Hort harewart, ghi loese boeven Luister eens hier, jij waardeloos stel, Die ommegaet met begardien." Dat omgang houdt met begardenvolk.")

In dit vers zien we dat mensen die een heilig leven proberen te leiden, aan het begin van het vers "papelards" worden genoemd en aan het einde "begarden" (wéér een woord dat eindigt op het kleinerende achtervoegsel -ard). Dat laat opnieuw zien dat al die schimpnamen naar één en dezelfde soort mensen werden geslingerd: de leden van het Overblijfsel.

Nu we toch met middeleeuwse poëzie bezig zijn, nog een stukje. Het gaat over een gewetensvolle vrouw — vermoedelijk een bekeerlinge tot het Overblijfsel — die bezwaar had tegen de bruiloft van haar zus. Ze wist wat er op bruiloften gewoonlijk zoal gebeurde. Ook hier geven we de oude tekst weer, met een vertaling. Er staat:

"Nu was di brut ein edelwif Hersch ende stolz dat al ir lif Zur wereldvroide herze druch Der suster wort sy widersluch Und sprach, villyve suster min Wilt du bi mir begine sin

Ar begardie driven So gank zu sulchen wiven Dy das gelusten, dat raden ich, Erlaiz der truandien mich

Du solt mir spielen, lachen Und alle vroide machen." ("De bruid, dat was een deftig wijf, Hooghartig, trots met heel haar lijf,

Belust op werelds feestgedruis. Haar zusters woord sloeg zij weer thuis En sprak: mijn lieve zuster mijn, Wil jij bij mij begijntje zijn,

Of doen alsof je begard bent — Ga dan naar vrouwen van het slag Dat daarvan houdt, dát raad ik aan. Verlos míj van dat kwezelen.

Jij zult hier spelen, lachen, én Met ons in alle vreugde zijn.")

Duidelijk hebben we hier te maken met een zus van de "wereldse" bruid. Een zus die bekeerd was tot het geloof en de levenswandel van het Overblijfsel. En let op: de bekeerde vrouw krijgt, zoals gebruikelijk, verschillende kleinerende etiketten opgeplakt. Ze wordt "begijn" genoemd, "begard", en een "truande". Dat laatste woord betekent waarschijnlijk hetzelfde als ons "spijbelaar": iemand die er telkens niet blijkt te zijn. En inderdaad — de mensen van het Overblijfsel wisselden voortdurend van woonplaats.

Er bestaat vandaag een geschiedschrijving die het Overblijfsel onvermeld laat. Maar tijdgenoten wisten wel beter. De deken van Atrecht, in Vlaanderen, schreef: "Een derde, zo niet méér, bezoekt de conventikels van de Waldenzen." (Dat was een van de namen waarmee het "christendom" de leden van het Overblijfsel zwart probeerde te maken.) Dan is dit toch een eerlijke vraag: wat is er van dat "derde deel, zo niet meer" geworden, vlak vóór het aanslaan van Luthers stellingen? Zijn ze soms verdampt?

In de winter van 1160 op 1161 bleken zo'n dertig "ketters" uit Vlaanderen naar Engeland te zijn getrokken (zoals ook de Lollarden deden), zo berichtte William van Newburgh, woordvoerder van het "christendom", in zijn dagen. Ze werden vervolgens óf aan het vuur prijsgegeven, óf verdreven, óf aan de hongerdood overgelaten. Toen ze verhoord werden over hun geloof, zeiden ze dat ze "christenen waren die de apostelen in ere houden".

De mensen van het Overblijfsel trokken dus rond. Dan verbazen deze bevelen niet: "Niemand mag, op straffe van eeuwige vervloeking, onderdak geven aan de ketters die uit Gascogne en Toulouse zijn gekomen. Niemand mag van hen kopen of aan hen verkopen, opdat ze tot inkeer komen." We lezen over een groep van zulke rondtrekkende "ketters" die naar Engeland was gekomen. Daar werden ze een tijdlang met rust gelaten. Totdat een Engelse vrouw zich bekeerde en zich bij hen aansloot — ongetwijfeld aangetrokken door hun voorbeeldige gedrag en hun evangelie. Daarop werden ze allemaal verbannen naar de heide. Daar stierven ze, de een na de ander, door kou en weer, of van de honger. Want de bewoners van de streek was "eeuwige verdoemenis" aangezegd als ze iets van hen kochten of aan hen verkochten. Bij zulke verbanningen naar de heide is ons woord "heiden" ontstaan. Rond elke stad lag in de Middeleeuwen gemeenschappelijke grond, de "meent". Daar mocht iedereen schapen of geiten laten grazen. Niemand bemestte die grond ooit. De bodem raakte dus zó uitgeput dat er alleen nog heide op groeide. En omdat daarheen mensen verdreven waren om godsdienstige redenen, gingen allen die niet bij het "christendom" hoorden "heidenen" heten. Het is dus een woord dat met het Overblijfsel samenhangt.

Natuurlijk hielden de mensen van het Overblijfsel hun godsdienstoefeningen in conventikels. Daar waren twee redenen voor. De ene: als het om de eredienst ging, zagen ze zichzelf niet als één geheel met het "christendom". De andere: samenkomen op een "openbare" plaats was vrijwel zelfmoord. En natuurlijk bevalen woordvoerders van het "christendom": "Hun heimelijke conventikels moeten krachtig bestreden worden." Dus zochten de mensen van het Overblijfsel manieren om bij hun conventikels te komen zonder sporen na te laten. Daar waren ze zó bedreven in, dat de deken van Atrecht er deze verklaring voor bedacht: "Wanneer ze naar hun samenkomsten willen, wrijven ze eerst een soort zalf, hun door de duivel geleverd, op hun handpalmen en op een stok. Dan vliegen ze, rijdend op die stok, naar welke plaats ze maar willen, dwars over steden en bossen en meren heen. En daar komen ze dan samen." Over deze verklaring zeggen we alleen dit: de deken had een zeer vruchtbare verbeelding. Maar wat kon hij anders? Dat er geheime samenkomsten werden gehouden, viel niet te ontkennen. En toch kon niemand — hij niet, en niemand in zijn dienst — verklaren hoe die mensen er kwamen zonder sporen achter te laten. Dus werd hij vindingrijk. De werkelijkheid was natuurlijk simpeler. De mensen van het Overblijfsel slopen tussen heggen door, kropen over open plekken, en zwommen 's nachts meren en beken over. Eén ding is zeker: ze kwamen niet bij hun godsdienstoefeningen schrijlings op een stok, ingevet met een toversmeersel "geleverd door de duivel".

Er stond nog iets in de rapporten van het "christendom" over het Overblijfsel: dat de leden op hun conventikels "hun achterste naar de hemel keren om God te honen". Als ons gevraagd wordt hoe dát verhaal in de wereld kwam, denken we het antwoord te hebben. Wanneer de godsdienstoefening van het Overblijfsel begon, en ook wanneer ze eindigde, gingen alle leden in een rij staan en bogen ze zich allemaal met het gezicht ter aarde. Dat deden ze nadat de lichten gedimd of gedoofd waren, om twee redenen:

De ene reden was dat ze niet gezien wilden worden door een "gluurder" in dienst van het "christendom". De andere reden lijkt dezelfde te zijn die mensen hun ogen doet sluiten bij het bidden: je wilt loskomen van alle "wereldse dingen" en je richten op de "hemelse dingen". De beschuldiging van het "achterste naar de hemel keren om God te honen" was zó bekend en zó wijdverbreid, dat we in een middeleeuws stuk (afgedrukt in het Nederlandsch Kluchtspel) lezen: "Twee begijnen, twee bogaerden, drie sustern, twee lollaerden, deze dienen God al met den aerse""twee begijnen, twee begarden, drie zusters, twee lollarden, die allen dienen God met hun achterste".

Drie dingen in dit "middeleeuwse stuk" vragen om een korte toelichting. Ten eerste: de leden van het Overblijfsel worden wéér met allerlei namen aangeduid — terwijl het om één soort mensen ging. Ten tweede: er wordt verondersteld dat de mensen van het Overblijfsel, als ze bijeen waren, gezamenlijk knielden in gebed. En ten derde: bij alle anderen staat "twee", maar de "zusters" zijn met z'n "drieën". Wat moeten we dáárvan denken? Kregen de "zusters" het getal drie omdat de vrouwelijke leden van het Overblijfsel talrijk waren — talrijker nog dan de mannelijke?

Het wordt duidelijk, daarvan zijn we overtuigd, dat het eenvoudig niet aangaat om het bestaan van het Overblijfsel over te slaan en zijn bijdrage aan de geschiedenis te negeren. Het gaat zéker niet aan als we de oorsprong en de bedoeling van het Eerste Amendement willen begrijpen.

De tijd is gekomen — en is er eigenlijk al een hele poos — dat historici gaan luisteren naar Von Harnack (misschien nog altijd dé autoriteit op het gebied van de dogmageschiedenis), waar hij over de twaalf eeuwen vóór Luther zegt:

"In deze twaalf eeuwen heeft het nooit ontbroken aan pogingen om de banden van de staatskerk en priesterkerk te verbreken en de apostolische gemeentevorm te herstellen." (In het origineel luidt het:

"In diese zwölf Jahrhunderten haben Versuche niemals gefehlt die Bände der Priesterkirche/Staatskirche zu sprengen und die apostolische Gemeindeverfassung wieder her zu stellen.")

Het is tijd om Ludwig Keller niet langer te negeren. Hij stelt (in onze vertaling): "Het is in geschiedenisboeken de gewoonte om de stof in twee stukken te verdelen: de middeleeuwen, die tot 1517 zouden duren" — de datum van het aanslaan van Luthers stellingen — "en het tijdperk daarna... Deze voorstelling is onjuist en leidt tot allerlei dwaling. Want ze scheurt uiteen wat bij elkaar hoort." Wij voegen daaraan toe: zoals het werk van het Overblijfsel, dat uitliep op de geboorte van het Eerste Amendement.

We zijn de Vlaamse schrijver Pontus Payen dankbaar voor wat hij lang geleden al zei: "De leer van Luther en Calvijn, de leer die zij 'het Woord van God' noemen, werd hier eerder verkondigd door leerlooiers en ververs, door marskramers en gezellen — eenvoudige lieden die geen woord Latijn kenden. Dezen moesten daarna wijken voor predikers uit Frankrijk, mannen goed onderlegd in het Latijn en ook in de letteren en de theologie." Wie waren die eerdere verkondigers van het Woord van God? Wie anders dan de leden van het Overblijfsel? We merken hier iets bij op. Het verschil tussen die twee opeenvolgende "golven" van Woordverkondigers was niet zomaar een verschil in geleerdheid. Nee. De leden van het Overblijfsel predikten de éne mode d'intégration. Ze werden weggedrukt door mannen van nieuwe gedaanten van het "christendom", met een ándere mode d'intégration. (Zoals we nog zullen ontdekken, kwamen die latere verkondigers inderdaad "uit Frankrijk" — voortgestuwd door de mensen van Genève.)

De leden van het Overblijfsel waren zó talrijk dat het "christendom" er een priesterorde tegenover zette: de dominicanen. Die moesten het Overblijfsel beconcurreren. Ze namen alle kenmerken van de "ooms" van het Overblijfsel over. Ze gingen twee aan twee, droegen zelfgesponnen kleding, en preekten in stegen en achterstraten. Vanwege dat preken gingen ze in de Lage Landen "predikheren" heten. Veelzeggend is wat er keer op keer gebeurde: kwamen er dominicanen in een stad aan, dan werden ze door de bevolking gestenigd, en vluchtten ze. Vrijwel zeker zat dít erachter: het gewone volk hield van de mensen van het Overblijfsel. En het nam de predikheren kwalijk dat die het leven van de rondtrekkende predikers van het Overblijfsel nóg moeilijker maakten — juist doordat ze qua werkwijze zo op hen leken. Het "christendom" heeft er een andere verklaring voor bedacht: het nieuws over de nieuwe orde zou zo'n stad nog niet bereikt hebben, zodat de bevolking hen aanzag voor leden van het Overblijfsel — die ze hadden leren stenigen. Die verklaring is hoogst onwaarschijnlijk. Want zo'n steniging van dominicanen vond óók plaats in Parijs. En het is ondenkbaar dat het nieuws die belangrijke stad niet bereikt zou hebben: er waren vrijwel zeker afgevaardigden uit Parijs bij toen de plannen voor de orde werden gemaakt.

We kwamen de uitspraak tegen dat de predikers van het Overblijfsel "eenvoudige lieden" waren. Velen waren dat ongetwijfeld. Maar in een van de aanvallen van het "christendom" lezen we ook: "Hoe geleerd ze ook zijn" — let op wat hier wordt toegegeven — "of hoe heilig ook" — nóg een toegeving — "als ze niet op de juiste wijze door de Kerk verkozen zijn, zijn het geen gezondenen." In werkelijkheid haatten de mensen van het "christendom" de predikers van het Overblijfsel vooral om hun andere kijk op de mode d'intégration. Dat dáár het hart van het verschil lag, is duidelijk genoeg. Luister naar de doper Hans Kuchenbacker — lid van de beweging die haar wortels in het Overblijfsel had — tijdens zijn proces: "Wij belijden één heilige christelijke Kerk" — let op: het woord "katholiek" ontbreekt — "een gemeenschap van heiligen. Ze bestaat uit gelovigen en wedergeboren christenen, kinderen van God, van boven geboren door het Woord van God en door de Geest." Maar hem werd gezegd dat dit "Irrtumb" was, dwaling: "Wanneer wij over de Kerk spreken, moeten we die massa mensen bedoelen onder wie het Woord van God gepredikt wordt en de sacramenten bediend worden naar de instelling van Christus." Het geschil was overduidelijk: de Corpus Christi-visie tegenover de Corpus Christianum-visie.

Als er nog enige twijfel bestaat over wat er in het hart van het conflict tussen het "christendom" en het Overblijfsel lag, hoeven we alleen maar te luisteren naar een woordvoerder van het "christendom", waar hij met het oog op de mensen van het Overblijfsel zegt:

"Hoewel ze onder allerlei namen bekendstaan, zijn ze als de vossen van Simson" — een verwijzing naar wat we lezen in Richteren 15:4 — "in die zin dat hun gezichten alle kanten op staan, maar hun staarten aan elkaar gebonden zijn: de verachting voor de Kerk" — waarmee hij natuurlijk de kerk van het "christendom" bedoelde.

Ook hier horen we het: in het hart van het conflict lagen twee opvattingen over de mode d'intégration van kerk en staat. De vraag was: máákt het christelijk geloof de samenleving samengesteld, of behoedt het haar daar juist voor? De eerste opvatting begon bij Johannes de Doper en hield stand tot aan de Constantijnse synthese. Toen kwam de tweede ervoor in de plaats: het geloof moest de samenleving juist bewaren voor het uiteenvallen in twee elementen. Dat het zó gegaan is, blijkt telkens opnieuw.

Dat de visie van het Overblijfsel eerbiedwaardig oud was, blijkt herhaaldelijk. In het jaar 1050 klaagt de bisschop van Luik dat "ketters" een "oude dwaling" onderwijzen over de transsubstantiatie. Namelijk: "het lichaam van de Heere is niet zozeer Zijn werkelijke lichaam als wel een afbeelding daarvan." Als een "dwaling" in 1050 al "oud" heette, moet ze heel vroeg begonnen zijn. En dat klopt: ze begon in en met het Donatisme.

Gaat het Overblijfsel werkelijk zó ver terug? Luister naar Bernard van Clairvaux, die in 1153 stierf. Hij zei dat hij "zich niet kon herinneren iets nieuws gehoord te hebben, hoe talrijk ze ook zijn. Niets dan zaken die lang geleden al door de ketters van weleer werden aangeroerd — zaken die door onze theologen zijn gedorst en gewand."

De toestand in de Middeleeuwen was zó, dat de bisschop van Doornik opdracht gaf het volgende geregeld in de kerkdiensten voor te lezen: "Ieder die een van de door de Kerk veroordeelde dwalingen, die ingaan tegen de artikelen van het geloof, steunt, verdedigt, aanvaardt, of anderen aanraadt dat te doen, wordt geëxcommuniceerd."

In het jaar 1145 werd over wat wij het Overblijfsel noemen gezegd: "Ze hebben toehoorders op hun conventikels die in hun dwaling worden ingewijd, gelovigen die al misleid zijn, bisschoppen en prelaten — precies zoals wij die hebben." Nee, het verzet tegen het "christendom" begon niet in 1517. Dat moeten we vasthouden, willen we begrijpen waar het Eerste Amendement vandaan komt. En historici moeten niet vervallen in de fout van de Duitse historicus Josef Beck. Die gaf in de moderne tijd een oude geschiedenis van de doperse beweging uit, door de dopers zelf opgesteld — en liet het hele eerste deel weg. Waarom? In zijn woorden: "Het staat in geen enkele verhouding tot de zaak, of hooguit in een uiterst losse." Beck had moeten luisteren naar zijn collega-historicus R. T. Rohrich: "De sekten die in de tijd van de Reformatie zo krachtig op de voorgrond traden, hadden hun historische wortels in eerdere groepen, bekend als Godsvrienden, Broeders van het Vrije Leven, Winkelers, enzovoort."

Omdat historici het Overblijfsel niet kenden, lieten ze een heel koor van geluiden het ene oor in en het andere uit gaan. Zoals deze opsomming: "Katharen, Paternen, Speronisten, Leonisten..., die prediken op openbare plaatsen of besloten, zonder toestemming van de Heilige Stoel of van de bisschop." Zoals het verslag van een inquisiteur die er in 1234 over pocht dat hij meewerkte aan de verbranding van zo'n vijftig ketters in evenzoveel dagen. Zoals het gegeven dat er vóór Luther honderdzestig beroepsmatige "ketterjagers" waren — de geur van brandend vlees hing voortdurend in de lucht. Zoals dat van tien mensen, verbrand in Dowaai, waarna de beul zich op zondag 2 maart 1236 naar Rijsel haastte voor méér van hetzelfde. En zoals paus Gregorius, die zegt dat "de pest van de ketterij zich door heel Vlaanderen heeft verspreid".

Historici zouden ook moeten leren luisteren naar geluiden als deze. Lang voordat Luther geboren werd, leverde de deken van Atrecht een vrouwelijke "ketter" over aan "gehenna en foltering". Ze heette Deniselle. Het doel: haar de naam laten prijsgeven van de leider van de plaatselijke Overblijfsel-gemeenschap, Jean Lavite. Deniselle brak onder de foltering en gaf de naam prijs. Lavite besefte dat ook hij op de foltertafel zou belanden. Daarom sneed hij het puntje van zijn tong af — dan kón hij geen namen meer noemen. Maar de folteraars hielden een klein vuur bij zijn voeten, gaven hem een lei en bevalen hem de namen op te schríjven. De pijn was zó groot en duurde zó lang, dat de man bezweek. Hij schreef een lange lijst namen op. Op die lijst stonden zelfs enkele priesters van het "christendom" — en ook belangrijke, hooggeplaatste burgers van de stad. Dat laatste deed de magistraat terugschrikken. Hij besloot niemand te verbranden en liet hen allen vrij, op paaszondag. Waarop de plaatselijke woordvoerder van het "christendom" de verantwoordelijken voor die vrijlating met excommunicatie bedreigde.

Dat er hooggeplaatste mensen op de ketterlijst stonden, vraagt even onze aandacht. Het was helemaal niet ongewoon dat mensen van aanzien lid werden van het Overblijfsel — zo nu en dan zelfs een priester. Ze probeerden dat dan wel verborgen te houden. Er waren werkelijk geestelijken van de gevestigde kerk die preken hielden vol gedachtegoed van het Overblijfsel. In de archieven van Doornik (een broeinest van Overblijfsel-"ketterij") ligt een verslag over "zekere geestelijken van de orde van de augustijnen". Zij hadden "in het afgelopen kwartaal zeer veel preken gehouden en daarna in het openbaar, op beruchte wijze, gesproken tegen de eer van de Kerk in het algemeen en ook tegen die van Bergen, en haar priesters en de overige geestelijkheid... waarmee ze het gewone volk verontrusten en in verwarring brengen... en, wat nog erger is, ernstige dwaling teweegbrengen tegen de heilige leer van de apostelen" (Corpus II:199). Een priester genaamd Serrurier, ook een augustijn, werd op missie gestuurd om de "ketters" rond Atrecht en Doornik te bekeren. Het liep andersom: hij werd bekeerd tot hún geloof. Hij werd "betrapt" terwijl hij precies de "ketterij" predikte die hij had moeten uitroeien. Hij moest in het openbaar herroepen en de boeken verbranden die hij van de "ketters" had gekregen. En het is een welbekend feit dat de augustijnen van Antwerpen Luther steunden toen die in het nieuws kwam. Luther rekende twee van hen, Voes en Esch, tot de eerste martelaren voor zíjn zaak. Nog zo'n priester binnen het "christendom", Lambert le Bègue, werd opgesloten in een donker hol in een gevangenis. Zijn misdaad: hij had het gewone volk afschriften gegeven van de Schrift in de volkstaal (Corpus II:20).

De augustijnen in Antwerpen waren voor het "christendom" zó'n probleem, dat zijn functionarissen zich zelfs tegen de bouw van hun klooster hadden verzet. De gebouwen kwamen er toch, dankzij druk van de magistraat. Toen het bericht van Luthers moedige daad naar buiten kwam, werden de Antwerpse augustijnen meteen aangepakt. Luther eiste de twee terechtgestelde priesters op als zijn geestelijke kinderen. Maar het waren eerder zijn broeders in het geloof — misschien zelfs zijn "vaders". In elk geval waren zij en Luther van één soort. En het is duidelijk dat zowel Luther als de geestelijken in Antwerpen diep beïnvloed waren door de geschriften van het Overblijfsel. Luther dichtte een lied ter ere van de twee augustijnen: Ein neues Lied wir heben an, "Een nieuw lied heffen wij aan". Maar dat "lied" was helemaal niet nieuw. De mensen van het Overblijfsel zongen het al sinds mensenheugenis.

Hoe stonden de zaken er werkelijk voor? (We zeggen "werkelijk", want er is een geschiedschrijving die alles in een heel ander licht zet.) Luister naar Innocentius III. In 1199 schrijft hij aan de bisschop van Metz: "Er zijn zeer veel leken, mannen zowel als vrouwen, die, begerig om de Schrift te kennen, vertalingen van de evangeliën in het Frans bezitten... Daaruit prediken ze in geheime conventikels. Ze zien neer op wie hun samenkomsten niet bezoekt. En de priesters die aanbieden hen te onderwijzen, weerstaan ze in hun gezicht, met als voorwendsel dat er in hun boeken beter onderricht te vinden is. Nu is het verlangen om de heilige geschriften te kennen stellig niet verwerpelijk. Verwerpelijk is wél dat ze geheime bijeenkomsten houden, neerzien op wie die niet bezoekt, en zich het recht aanmatigen te prediken. Want zó diep is de Schrift, dat niet alleen eenvoudige en ongeletterde mensen haar niet kunnen verstaan, maar zelfs de geleerden niet. Daarom is in de wet van God geboden dat elk dier dat de berg aanraakt, gestenigd moet worden" — een verwijzing naar Exodus 19:13.

"Aangezien de predikorde met de prediking belast is, mag niemand zich dit ambt aanmatigen."

We hebben betoogd dat de mensen van het Overblijfsel rechtzinnig waren. Daar gaan we nog iets dieper op in. Of iemand rechtzinnig is, hangt natuurlijk af van wat je onder rechtzinnigheid verstaat. De mensen van het Overblijfsel leerden (zoals we zagen): "wanneer het lichaam van Jezus Christus omhooggeheven wordt, behoor je je er niet voor neer te buigen en er geen eerbied aan te bewijzen." Het "christendom" hield vol dat dit beslist onrechtzinnig is. In het licht van de Schrift is het rechtzinnig — zo denken wij.

Of de mensen van het Overblijfsel rechtzinnig waren in hun theologie, mag de lezer zelf beoordelen. Maar dat ze rechtzinnig waren in hun levenswandel, staat niet eens ter discussie. Het getuigenis van hun tegenstanders, de woordvoerders van het "christendom", bewijst het keer op keer. Hier volgt weer zo'n voorbeeld: "De mensen zien dagelijks dat deze lieden uitmunten in uiterlijke heiligheid, terwijl de meeste priesters van de Kerk ondeugden najagen (vooral van het vlees). Daarom denken ze dat ze bij hen beter de biecht kunnen doen dan bij de priesters." — Dat woord "biecht" moeten we even rechtzetten. De mensen van het Overblijfsel lieten zich door hun "ooms" niet de biecht afnemen. Het woord komt uit de mond van een man van het "christendom"; lees dus zoiets als "vergeving vinden". — "Ze zijn te herkennen aan hun manieren en aan hun spreken. In hun manieren zijn ze rustig en gematigd. Ze kleden zich niet opzichtig; ze dragen geen weelderige kleren en ook geen vodden. Ze drijven geen koophandel, om vervalsing en bedrog te vermijden. Ze leven als arbeiders en ambachtslieden, en als leraars hebben ze schoenlappers. Ze stapelen geen rijkdom op, maar zijn tevreden met het nodige. Bovendien zijn ze kuis en matig in eten en drinken. Ze gaan niet naar herbergen of danspartijen en andere ijdelheden... Ze zijn altijd aan het werk en aan het leren — waaruit volgt dat ze weinig bidden." — Is er ooit een dwazere gevolgtrekking gemaakt? — "Ze wonen de kerkdiensten geveinsd bij... om de priester op zijn woorden te vangen. Ze zijn te herkennen aan hun zorgvuldige en gematigde spreken. Ze vermijden alle grofheid en achterklap, en ook losse praat en liegen en zweren... Ze vergelijken de Roomse kerk met de hunne. De leraars van de Kerk, zo houden ze vol, zijn hoogmoedig in kleding en manieren, en ze leven onkuis. Bij hen daarentegen, zo zeggen ze, leeft ieder man met zijn eigen vrouw, en met haar in kuisheid." Voor ons betekent dit getuigenis één ding: de mensen van het Overblijfsel waren bewonderenswaardig rechtzinnig in hun levenswandel.

Hier is nog zo'n schets van de levenswandel van de leden van het Overblijfsel — nu door een líd gegeven: "Wij zijn Christus' armen, zonder vaste woonplaats. We vluchten van stad naar stad, als schapen te midden van wolven. We verduren vervolging, zoals de apostelen en de martelaren. En juist omdat we oprecht zijn, sober leven en hard werken, worden we vervolgd... Ú hebt de wereld lief en hebt vrede met haar, omdat u één met haar bent. Uw valse leraars verdraaien het Woord van God. Ze zoeken hun eigen belang en brengen anderen op een dwaalspoor. Maar wij en onze vaderen, opgevoed in de leer van de apostelen, blijven in de leer van Christus. En daarin zullen we blijven tot het einde."

We zien het: de "ketters" van het Overblijfsel waren eerbiedwaardig oud — en evangelisch, lang voordat Luther op het toneel verscheen. Het moet ons niet langer vreemd in de oren klinken wat er gezegd werd over een "ketter" die in 1522 stierf, vijf jaar na Luthers moedige daad. Hij heette Borsum. "Hij richtte zijn leven in naar het Oude Testament en het Nieuwe, lang voordat Luther begon te schrijven, en hij hield daaraan vast tot het einde. Van de pauselijke orde van zaken wilde hij niets weten."

Het hoeft ons ook niet meer te verbazen dat er in 1472 een lijst bestond van dwalingen, achttien stuks, die zogenaamd voortkwamen uit "het lezen van de Schrift in de volkstaal".

En evenmin zullen we het verrassend vinden dat Moneta van Cremona over de "ketters" zegt: "Ze zeggen dat de Kerk van Christus onderwees vóórdat ze iemand doopte..., dat de Roomse kerk doopt vóórdat ze onderwijst, zoals blijkt uit de kinderdoop... Van Christus en Zijn apostelen is niet bekend dat ze ooit iemand gedoopt hebben zonder geloof en zonder het vermogen om te verstaan..." Of dat we Petrus Venerabilis horen zeggen:

"De eerste stelling van de ketters ontkent dat kleine kinderen... door de doop behouden kunnen worden, en dat het geloof van een ander dan van henzelf verlossing brengt. Want de Heere heeft gezegd: 'Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.'" Ook dit hoeft ons niet meer te verbazen: "Met de mond belijden ze het katholieke geloof, maar niet met het hart. In hun geheime samenkomsten zeggen ze dat alleen discipelen van Christus het recht hebben te dopen... Uit deze praktijk is de sekte van de herdopers voortgekomen." En er is geen reden om verbaasd naar het plafond te staren als een van de leermeesters van Luther, Von Usingen, zegt: "In deze onze tijd komen wederdopers en catabaptisten voort uit het kamp van de Picarden, omdat zij een tweede keer dopen." — "Picarden": zo heetten de mensen van het Overblijfsel al eeuwen vóór het aanslaan van Luthers stellingen. Je hoeft ook niet peinzend je kin vast te houden als je in een middeleeuws verslag over de "ketters" leest:

"Wij komen nu bij de herdopers, wier bijzondere dwaling is dat ze een tweede keer dopen." Zo gaat het maar door. Maar waarom zouden we nog meer bewijs aandragen dat er een geschiedschrijving is die afgedankt moet worden, en dat de opengevallen plaats moet worden ingenomen door een geschiedschrijving die rekent met de feiten — het feit dat het Overblijfsel er wás? Omdat het nodig is, willen we het Eerste Amendement begrijpen.

Zoals gezegd: het gewone volk was het Overblijfsel dikwijls, zo niet doorgaans, goedgezind. Dat ging zó ver, dat het "christendom" de stormklok maar niet meer luidde als de terechtstelling van een "ketter" — een keuzemaker — ophanden was. De wet schreef het luiden nochtans voor. Het verbranden van "ketters" gebeurde meestal vroeg in de morgen, als er nog geen mensenmassa's op straat waren. Zo wilden de machthebbers voorkomen dat een volksoploop de "ketter" zou bevrijden. Er ontstond nóg een praktijk: "ketters" van het Overblijfsel werden in zakken gestopt, dichtgebonden en stilletjes in een rivier of vijver gegooid. Zo gekneveld konden ze niet zwemmen. En — minstens zo belangrijk — ze konden geen redevoeringen meer houden ter verdediging van hun geloof. Zulke redevoeringen konden bekeerlingen maken onder de omstanders. Velen van hen waren de "ketters" immers toch al goedgezind, zoals het volgende bewijst.

Een eeuw vóór Luther zou een "ketter" met de naam Jehan de Bleharies aan de vlammen worden prijsgegeven. Toen werd deze waarschuwing aangeplakt: "Laat iedereen bereid zijn de Heilige Kerk bij te staan. Niemand mag zich op straat wagen gedurende de morgen die voor de terechtstelling is vastgesteld." — Let op: er wordt geen datum genoemd. Anders zou het volk kunnen samenscholen om de man te redden. — "De Kerk, onze moeder, wil niet dat iemand, terwijl zij haar werk doet, iets zegt of doet waaruit opschudding of tumult of oproer zou kunnen voortkomen, of enige andere ongepastheid. Niemand mag de inquisiteur iets in de weg leggen. In gehoorzaamheid aan God en de Heilige Kerk moet iedereen de inquisiteur bijstaan. Zo is het bevolen, op straffe van bestraffing als misdadiger." Het begint erop te lijken dat het Overblijfsel de kerk van het "christendom" overvleugeld zou hebben — als die kerk niet de wapens had gehad, en geen enkele scrupule om ze te gebruiken.

Terug naar de zware nadruk die het Overblijfsel legde op de vernieuwingskant van de verlossing. Een nodige nadruk. Het verbaast dan ook niet dat de mensen van het Overblijfsel bijzonder gehecht waren aan de brief van Jakobus — het boek waar Luther in zijn laatste periode niet van hield. Ze waren er zó aan gehecht, dat ze er een gedicht over maakten. Een afschrift bleef bewaard. We geven de drie strofen weer, met een vertaling:

1 "San Jaco monstre e aferma clarement Que l'ome non es salva par fe solement Si el non es cum obras

mescla fidelement La fe sola es vana e morte verament." 1 ("Jakobus toont en zegt heel klaar:

door geloof alleen wordt niemand behouden. Als het geloof zich niet trouw met werken verbindt, dan is het ijdel — ja, werkelijk dood."

2 "En Paulus bevestigt ditzelfde woord: wie de wet alleen maar hóórt, wordt niet gered. Als bij het geloof

de werken het niet voltooien, dan is hij niet waardig de kroon der heerlijkheid te dragen." 3 "Want zoals er in de mens twee delen zijn —

de geest en het lichaam, in dit tegenwoordige leven —

zo zijn geloof en werken met elkaar verbonden:

dáárdoor wordt de mens behouden, en echt niet anders.")

(De oorspronkelijke regels van de tweede en derde strofe luiden: "E sant Paul conferme aquest parlar / Que l'audiver de ley non es poire salvar / Si el non cum la fe las obras acabar / La corona d'gloria non es degne portar" en "Car enayma en l'ome son dui complement / L'espirite lo cors en la vita present / Enayma le fe e las obras son un ligament / Par lo cal l'ome es salva e non ja autrement".)

Dat was niet het enige gedicht uit het Overblijfsel over het voorbeeldige leven van zijn leden. Het volgende komt uit het geschrift La Nobla Leczon, en het legt hetzelfde getuigenis af:

"S'il en est un bon, Qui aime et craigne Jesus Christ, Qui ne veuille maudire, Ni jurer, ni mentir,

Ni commettre adultere, ni occire, Ni prendre a autrui, Ni se venger de ses ennemis, Ils disent qu'il es Vaudes

Et digne d'etre puni." ("Als er ergens een goed mens is, die Jezus Christus liefheeft en vreest, die niet wil vloeken,

niet zweren en niet liegen, geen overspel plegen, niet doden, niet nemen wat van een ander is, zich niet wreken op zijn vijanden —

dan zeggen ze: het is een 'Vaudes', en hij verdient straf.")

(Het woord "Vaudes" betekent "dalbewoner" en verwijst naar de gewoonte van leden van het Overblijfsel om zich te vestigen in afgelegen dalen van de Alpen, om uit het zicht te blijven.)

Een zorgvuldige levenswandel was zó kenmerkend voor de leden van het Overblijfsel, dat we hen horen klagen: "Waner iument begind tho sprekende uth d'schrift godes edder uth den bade godes, to hand seggen de bitende hunde, 'dat is ok ein ketter.'""Zodra iemand begint te spreken uit de Schrift van God of over de geboden van God, zeggen de bijtende honden meteen: 'Dat is ook een ketter!'" Met "de bijtende honden" zijn de woordvoerders van het "christendom" bedoeld.

Dan het bericht dat "ketters" te herkennen zouden zijn aan hun bleekheid. (We beloofden daarop terug te komen.) Hoe is dat te verklaren? Sint-Bernard zegt over een "ketter": "Bovendien zijn zijn wangen bleek van het vasten." Maar dat het van het vasten kwam, is twijfelachtig. We weten immers dat de mensen van het Overblijfsel de vastendagen van de kerk niet hielden. (Wél bleven ze weg van "verfijnde" spijzen.) Wij denken aan iets anders. De "ketters" verplaatsten zich vooral 's nachts, om ontdekking te voorkomen. Zo liepen ze de gebruikelijke bruine kleur mis. En er kan nog iets meespelen. Werd een "ketter" indringend aangekeken, dan dacht hij: een "ketterjager" houdt me in de gaten. Reden genoeg om bleek weg te trekken — het kon het begin van het einde zijn.

Nog een smaadnaam van het "christendom": "turlupins". De oorsprong wordt (zoals gewoonlijk) niet vermeld. Maar het woord kan slaan op het feit dat de "ketters" zich vooral 's nachts verplaatsten, zoals wolven doen — het Latijnse woord voor wolf is lupus. Dat "turlupin" gewoon wéér een smeerwoord was, blijkt bij Gregorius XI. Hij spreekt over "de ketterij van Begarden, Begijnen, Turlupijnen, Lollarden". In het jaar 1459 werd een Portugees verbrand als ketter, Alphonse Gonsalva genaamd. Zijn uitspraken: "Christus is werkelijker in de hemel aanwezig dan op het altaar. Wijwater heeft geen kracht, want water kan niet gezegend worden. Er bestaat niet zoiets als priesters, en niet zoiets als sacramenten. De paus van de Roomse kerk is niets. De maagd Maria is geen voorspraak voor zondaars; we moeten niets van haar verwachten, en ook niet van de heiligen. Een kruis slaan heeft geen kracht. Je moet niet bij een priester biechten. Het is niet verkeerd om vlees te eten in de vastentijd. Christus heeft geen vastendagen ingesteld. En omdat Hij in de hemel is, kan Hij niet tegelijk in het sacrament op het altaar zijn." Bleekheid en "ketterij" hoorden zó lang bij elkaar, dat je tot op deze dag in delen van Frankrijk kunt horen: "blanc comme un huguenot" — "zo bleek als een hugenoot". Waar die smaadnaam "hugenoot" vandaan komt, is (zoals gewoonlijk) onbekend. Wij opperen: het is het Duitse "Eidgenosse", "eedgenoot", verfranst. Het woord "Eid" is ons "eed": de plechtige belofte van de "ketters" om niets te doen of te zeggen dat een medegelovige in de cel kon brengen. En hoe oud al die smaadnamen waren, blijkt uit het einde van de stad Munster, in de tijd van de Reformatie. Munster had als toevluchtsoord gediend voor de dopers. Veel dopers die leden aan wat je "strijdmoeheid" zou kunnen noemen, waren erheen gegaan — zó groot was het lijden om hun overtuiging geweest. Toen de stad viel, werd iedereen die "bleek van aangezicht" was ter plekke gedood.

(Het is niet zonder betekenis dat, toen Guido de Brès — de man die bekendstaat als de inheemse Reformator van Vlaanderen, en aan wie een later hoofdstuk gewijd is — beschreven werd, er onder andere gezegd werd dat hij "bleek van aangezicht" was. Die opmerking kan gewoon routine geweest zijn — op andere plaatsen wordt dat namelijk niet van de man gezegd.)

Om een nog onverklaarde reden kwam de "ketterij" van het Overblijfsel bijzonder veel voor onder wevers. In het Latijn heetten ze daarom "textatores", in het Frans "tisserandes". Een vrouwelijke "ketterjager", Hildegard van Bingen, zei: "Wie ketters wil opsporen, kan het best zoeken in de onderaardse ruimten waar wevers hun ambacht uitoefenen." Al in 1077 stierf een man met de naam Rhamird op de brandstapel. Later werd gezegd: "Er zijn er in deze tijd velen van zijn sekte; hun naam is afgeleid van het weversambacht." En al in 1157 waarschuwt het concilie van Reims tegen "een zeer onreine manichese sekte... van verachtelijke wevers die van plaats naar plaats trekken en hun namen veranderen." Uit de Middeleeuwen stamt een gedicht dat ongetwijfeld uit het Overblijfsel komt: "Het lied van de wever". Gelukkig is er een afschrift bewaard.

We halen het aan en geven de vertaling erbij: "Chante, pauvre homme et pleure Ta cave est une eglise

Tu as peche, mais tu as souffert Moi, j'ai paye pour toi Et tout est pardonne." ("Zing, arme man, en ween:

je kelder is een kerk. Je hebt gezondigd, maar je hebt geleden; Ik heb betaald in jouw plaats en alles is vergeven.")

De regel "Je hebt gezondigd, maar je hebt geleden" vraagt om een korte toelichting. Hij lijkt te zeggen dat je zonden worden uitgewist in ruil voor je eigen lijden. Dat is niet de bedoeling. De bedoeling is: dat deze mens geléden heeft, bewijst dat zijn zonden bij God in vergetelheid zijn gebracht — door de gerechtigheid die het lijden van Chrístus verwierf. Het weverslied is door en door rechtzinnig. De plaatsvervangende verzoening wordt erin uitgespeld: "Moi, j'ai paye pour toi" — "Ik heb betaald in jouw plaats". Verder wordt bericht dat de "ketters" "op het kruis spuugden". Zo lieten ze zien dat kruisdragen pijnlijk is, zoals het dat voor Christus was. De zangers van dit lied werden "manicheeërs" genoemd. Ook dát was weer bedoeld om de mensen van het Overblijfsel zwart te maken — er is niets "manichees" aan het lied. En het is vast niet zonder betekenis dat in de tijd van de Reformatie over Leiden gezegd werd dat de stad "wagenwijd openstond" voor de Reformatie "vanwege de vele wevers die er woonden".

Hoe kwamen wever-zijn en "ketter"-zijn bij elkaar? Ook dat is (zoals gewoonlijk) niet opgetekend. We moeten dus zelf een reden zoeken. Waarschijnlijk trokken de mensen van het Overblijfsel om dezelfde reden naar de weverskwartieren als de vroege christenen naar de gangen van verlaten kalkmijnen. In die gangen konden ze alleen zijn. En er waren geen ramen — dus ook geen "gluurders", onder wie de beroepsmatige "ketterjagers". Misschien zaten er in weverswerkplaatsen om de een of andere reden ook geen ramen. En misschien wilden ze samenkomen op plaatsen waar veilig licht kon branden. Ook dat kan de leden van het Overblijfsel ondergrondse weverijen in hebben gebracht. Het zal de lezer intussen interesseren dat Shakespeare alles bleek te weten van de "wever-ketters" — tot hun gedempte zingen toe. In zijn Twelfth Night zegt een stel feestvierders tegen elkaar: "Zullen we de nachtuil wekken met een canon die drie zielen uit een wever trekt?" En in zijn Henry the Eighth verzucht een zwaarmoedige ziel: "Er leven geen drie goede mannen ongehangen in Engeland... een slechte wereld! Ik wou dat ik een wever was, dan kon ik psalmen zingen."

Middeleeuwse "ketters" hebben mede door één man een slechte naam gekregen. Daarom zijn we het aan de zaak verplicht naar hem te kijken: een "ketter" met de naam Tanchelm (ook geschreven als Tanchelijn). Van hem werd gezegd dat hij "op het kruis spuugde" — daarover spraken we al. Ook werd hij beschuldigd van "God dienen met zijn achterste" — ook dat kennen we inmiddels. Maar Tanchelm werd nog ergens van beschuldigd: hij zou "het afknipsel van zijn teennagels aan zijn vrouwelijke volgelingen geven". Wat zegt ons dat — behalve dat deze "ketter" veel vrouwelijke volgelingen had? Probeerde de man misschien het hele relikwieënstelsel van het "christendom" belachelijk te maken? Dat stelsel was immers niet veel anders dan het weggeven van afgeknipte teennagels aan je volgelingen. Als dat zijn bedoeling was, was het niet misplaatst. Het relikwieënstelsel verdíénde de spot. Denk aan de vele monsters "melk van Maria" — zóveel dat je je afvraagt of ze een melkkoe was. Of aan de meerdere voorhuiden van één en dezelfde oude "heilige".

Nee, Tanchelm verdient een betere beoordeling. In het jaar 1163 werd in Keulen een grote groep volgelingen van Tanchelm verbrand. Hun overtuigingen werden zó opgesomd: "Ze beschouwen alle mensen die niet van hun sekte zijn als ketters en ongelovigen. Ze versmaden de samenkomsten van de ware Kerk. Ze houden vol dat alleen zíj het ware geloof hebben, en dat alle anderen wereldse mensen zijn, onder het oordeel... Ze drijven de spot met de biecht: je moet je hart blootleggen voor God, zeggen ze, en niet voor een mens. Ze verachten aflaten en boetedoeningen. En ze halen de profeten aan: in het uur waarin de zondaar zucht, is hij behouden, en er zal niet meer aan gedacht worden — zo zegt de Heere."Dat klinkt als niets anders dan de lijst die "ketters" al eeuwenlang naar het hoofd kregen. Met andere woorden: Tanchelm was gewoon wéér een lid van het Overblijfsel.

De Tanchelmieten waren zó talrijk dat het er een tijdlang naar uitzag dat heel het bisdom Utrecht aan hen "verloren" zou gaan. Het gevaar van afscheiding was zó groot en zó ernstig, dat het "christendom" een van zijn bekwaamste probleemoplossers naar Utrecht stuurde. Die moest de zaak weer in het gareel krijgen.

Hoe succesvol die man was, kunnen we niet zeggen. Wél kunnen we zeggen dat, toen Tanchelm "op een avond in een veerboot het water overstak, een getrouwe geestelijke, gedreven door vrome ijver, hem zó hard op het hoofd sloeg dat hij eraan stierf — en zijn ziel overgaf aan de duivel, wiens dienaar hij was geweest."

Nog in het jaar 1516, het jaar vóór het aanslaan van Luthers stellingen, werd gezegd dat "belijders van de dwaling van Tanchelm tot op deze dag niet opgehouden hebben te bestaan." Dat was ongetwijfeld zo — al is het meer dan waarschijnlijk dat het "christendom" tegen die tijd alweer nieuwe smaadnamen had uitgevonden voor de leden van het Overblijfsel.

Voordat we dit hoofdstuk over het Overblijfsel afsluiten, is het goed om nog even stil te staan bij een andere uitbarsting van verzet tegen het "christendom": die van de "Flagellantes", zoals ze in het Frans heetten, of "Geeselaers", zoals ze in het Nederlands werden genoemd — omdat ze de gewoonte hadden zichzelf met koorden te geselen, als onderdeel van een boetedoening.

Hoewel deze uitbarsting van verzet tegen het "christendom" de sporen droeg van haar tijd (de eeuw van de "Zwarte Dood", zoals die genoemd werd), vertoonde ze niettemin veel trekken van het Overblijfsel. We doen er daarom goed aan er even bij stil te staan als beweging, als een verschijningsvorm van het Overblijfsel — zij het met het stempel van haar tijd.

In de eeuw van de "Zwarte Dood", de veertiende eeuw, stierven de mensen massaal — aan wat een builenpest lijkt te zijn geweest. Geen enkele verrichting van het "christendom" leek iets uit te halen. De conclusie luidde: de Almachtige is ernstig ontstemd over de mensen van deze tijd. En dus ook: de aanpak van het "christendom" schiet tekort. Want alles wat er gebeurde, werd gedaan dóór een groep geestelijken, en gedaan áán het volk. Het volk kon alleen maar afwachten en stilhouden. Daarom werd er een handeling bedacht waarin de gewone mens zélf een rol speelde: berouw tonen door jezelf te kastijden. Het gaf tenminste een eigen aandeel.

Heel belangrijk: het volk lijkt opnieuw de kant van de "ketters" gekozen te hebben. Toen een priester van het "christendom" het gebed voor de Geeselaars achterwege liet, liep het kerkgebouw leeg. En "een hele dag lang was er tumult in de stad, gericht tegen de geestelijkheid". Net als de andere andersdenkenden begonnen de Geeselaars "samen te komen in conventikels, zonder toestemming van de Heilige Kerk". Ze werden er ook van beschuldigd dat ze "weigerden de hoed af te nemen en in aanbidding op te zien wanneer de priester het lichaam van de Heere omhoogheft".

De toestand wordt als volgt getekend in een vrij vertaald tijdgedicht:

"Hoewel de boete zwaar was, waren de priesters er niet mee ingenomen; ze verzetten zich met verbeten drift, omdat het niet aan te zien was dat leken het waagden zo'n boetedoening op touw te zetten, met kruisen en met plechtige vaandels, door henzelf omhooggeheven, zonder onderricht van de Heilige Kerk. Dat vonden ze volstrekt verkeerd, en daardoor (weet dit zeker) ontstond een grote, kwade stemming van leken tegen de priesters. Toen hielden die hun mond stijf dicht en lieten hen begaan, en haat kwam op, die (weet dit zeker) niet snel vergeten zal worden. Het is waar: pausen én kardinalen en bisschoppen evengoed bestreden de zaak zonder ophouden. Toch weigerden ze en gaven niet op; maar de Kerk legde hun de ban op — een zaak die door en door verkeerd was."

(We vinden het moeilijk uit te maken of dit gedicht gemaakt is dóór het Overblijfsel, of door het "christendom" óver het Overblijfsel, nu in de gedaante van de Geeselaars.)

Nu duidelijk is geworden dat er altijd een Overblijfsel is geweest tegenover het "christendom" — elk met zijn eigen kijk op de mode d'intégration — zullen we in het volgende hoofdstuk Luther gadeslaan, terwijl hij zijn rol speelt in dit oude conflict.

Gerelateerde artikelen

Alle