De morgen van vreugde

Voorwoord

Voorwoord·6 min leestijd
8%

Er is mij meerdere keren gevraagd om "De Nacht van Geween" (in het Nederlands vertaald onder de titel “Als Gods kinderen lijden”) te laten volgen door "De Morgen van Vreugde." De woorden van David in Psalm 30 hebben de gedachte aan deze toevoeging gewekt. Na veel nadenken en enige aarzeling heb ik dat gedaan.

Het eerste boek was bedoeld als een geheel op zichzelf. Het liet niet alleen de nachtzijde van de beproeving zien, maar bracht ook – al was het minder nadrukkelijk – enkele dagkleuren naar voren. Maar omdat het toch als onvolledig werd beschouwd, met zoveel meer nacht dan dag erin, is er nu geprobeerd het af te maken. Dat doen we door onze blik vooruit te richten, naar de morgen die al zo snel voor ons zal aanbreken, in al zijn breedte en schoonheid.

Zo worden wij ertoe gebracht om te vergeten wat achter ons ligt, en ons uit te strekken naar wat vóór ons is, terwijl wij jagen naar het doel: de prijs van de roeping van God, die van boven is (Filippenzen 3:13–14). En hoe voller, hoe overtuigender en hoe vaker wij vooruitkijken naar de beloofde heerlijkheid, des te dieper en rijker zal onze troost zijn.

Als wij gaan zitten in de schaduw van het kruis, en in het opschrift Gods getuigenis van vrije liefde lezen, worden onze angsten verdreven en vinden onze zielen rust. Als wij de vergeving bezitten en zeker zijn van het leven dat niet sterft, voelen wij dat alles goed is met ons. "Kom leven, kom dood," kunnen wij zeggen, "kom rust of storm, kom winst of verlies, kom vreugde of verdriet – alles is goed." Want "de vrucht van de gerechtigheid zal vrede zijn, en de uitwerking van de gerechtigheid: rust en veiligheid tot in eeuwigheid" (Jesaja 32:17).

En dit is zeker al veel aan troost, ook al hadden wij verder niets om ons te bemoedigen. Maar het is niet alles. Er is nog veel meer dan dit.

Terwijl wij daar zitten, opent God voor onze ogen een wijds uitzicht, dat ver de eeuwigheid in reikt. Misschien stuurt Hij beproeving en "breekt Hij ons met Zijn stormen." Maar dan spreidt Hij het visioen van licht voor ons uit, als troost. En hoe zwaarder het verdriet drukt, hoe groter dat visioen wordt. Het ondergaan van onze zon bedekt de aarde weliswaar met een schaduw, maar het trekt ook het gordijn weg van het uitspansel boven ons en omringt ons met de pracht van tienduizend sterren. Dan zien wij niet alleen dat het grootste deel van ons bestaan voorbij zowel de huidige vreugde als het huidige verdriet ligt, maar worden wij er ook toe geleid om die verreikende hoop te onderzoeken, en de hele breedte te overzien van die prachtige erfenis waarvan wij de erfgenamen zijn.

Dit onderzoek en deze overpeinzingen zijn, zoals we zullen zien, heel gezegend van aard. Ze werken niet alleen vertroostend, maar ook reinigend. Ze zijn doortrokken van heiligheid en vol van vreugde. Ze helpen ons om het heden te vergeten in het toekomstige, en ons gelijkvormig te maken aan de dingen die ons zo levendig worden voorgehouden. Want hoewel het waar is dat "tranen de oogst van het hart doen groeien," is het toch het verwachte licht van de nog niet opgekomen morgen dat de oogst doet rijpen.

Dit is meer dan alleen maar negatieve troost. Het is positief en krachtig. De negatieve troost is: "Wat klaagt dan een mens die leeft?" (Klaagliederen 3:39) of: "Daar houden de goddelozen op met woelen, en zij van wie de kracht is uitgeput, rusten daar uit" (Job 3:17). Dit is, voor zover het gaat, kostbaar. Maar God heeft ons meer gegeven dan dit. De hoop die Hij ons geeft, is niet slechts de hoop op een rustig einde van de vermoeidheid van deze wereld, maar de hoop op oneindige blijdschap die dan begint.

Er is een gedeelte in Job dat beide heel treffend laat zien. Zuchtend onder de druk van een heel bijzonder verdriet, roept hij uit:

Och, verstopte U mij maar in het graf, verborg U mij maar totdat Uw toorn zich afkeert (Job 14:13).

Alsof hij blij zou zijn om ergens verborgen te worden, zelfs in het graf, om aan zulke rampen te ontkomen. Maar dit is niet genoeg. Dit is slechts negatieve troost. Het is alleen maar het ophouden van het lijden. En daarmee is hij niet tevreden. Hij bedenkt zich en roept opnieuw:

Stelde U maar een grens voor mij vast en dacht U maar aan mij! (Job 14:13)

Hij kan de gedachte niet verdragen om altijd in het stof te blijven liggen, ook al is het een veilige schuilplaats tegen de stormen van de aarde. Hij wil daar niet vergeten worden. Hij wil dat er een tijd wordt vastgesteld, waarna God aan hem zou denken. Dan vraagt hij plotseling:

Als een man gestorven is, zal hij dan weer levend worden? (Job 14:14)

En terwijl hij zichzelf duidelijk antwoordt: "Ja, hij zal weer leven," voegt hij er rustig aan toe:

Dan zou ik alle dagen van mijn strijd hopen, totdat er voor mij VERANDERING zou komen (Job 14:14).

Want het is de opstandingsverandering waar hij naar uitziet en waarin hij zich verheugt als zijn hoop. Als die dag komt, zal de bazuin klinken en de stem van God zal spreken:

U zou roepen, en ík zou U antwoorden! (Job 14:15)

Maar hoe kan hij er zo zeker van zijn dat God aan hem zal denken? Hij weet hoe kostbaar het stof van Zijn heiligen is in Gods ogen:

U zou verlangen naar het werk van Uw handen (Job 14:15).

Zo begint Job weliswaar met wat alleen maar negatief is – namelijk het einde van zijn verdriet en schaamte – maar hij kan daar niet blijven. In snelle hoop gaat hij verder, naar het begin van zijn vreugde en heerlijkheid. Het is de MORGEN, met al zijn nieuwe leven en verkwikkend zonlicht, die voor zijn ogen oprijst en van verre zijn genezend licht op hem laat stromen.

"Immers, de gedaante van deze wereld gaat voorbij" (1 Korinthe 7:31). Dit bemoedigt ons, want het verzekert ons dat geen enkel verdriet lang zal duren. Maar de gedaante van "de komende wereld" blijft bestaan. Dat is onuitsprekelijk vreugdevol, want alles wat dat betere "tijdperk" met zich meebrengt, zal voor eeuwig blijven. De erfenis is groot, de stad is "vreugdevol," de woningen zijn talrijk, de eigendomstitel staat vast, en het bezit is eeuwigdurend.

Jeruzalem! Jeruzalem!

Was ik maar in uw muren!

O, had mijn droefheid toch een eind,

dat ik uw vreugde kon ervaren.

Zo zong één van Schotlands heiligste zonen, lang geleden, lieflijk. Gebroken door veel verdriet goot hij zo zijn ziel uit – moe en vol van heimwee, als een vreemdeling hier. En zal de "nacht" niet in één van haar doelen falen, als zij ons niet doet verlangen naar de "dag"? Zal de beproeving niet tevergeefs zijn als zij niet in ons dit "ernstige verwachten" opwekt, dit "zuchten in onszelf," dit "vurige verlangen" – dit heimwee dat de heiligen in vroegere dagen zo teder en oprecht voelden?

En des te meer, "want nu is de zaligheid dichter bij ons dan toen wij tot geloof kwamen" (Romeinen 13:11). Want wij zijn aangekomen bij het laatste deel van onze reis, en nog maar een paar dagen zullen nodig zijn om ons thuis te brengen.

Kelso, 19 december 1849.

Gerelateerde artikelen

Alle