Oordeel daarom niets vóór de tijd, totdat de Heere komt. Hij zal ook wat in de duisternis verborgen is aan het licht brengen, en de voornemens van het hart openbaar maken. En dan zal ieder van God lof ontvangen. (1 Korinthe 4:5)
Christenen mogen andere Christenen niet oordelen. En Christenen moeten andere Christenen oordelen. Dat is wat de Bijbel leert. Paulus zegt dit allebei in dezelfde brief.
Oordeel daarom niets vóór de tijd, totdat de Heere komt. Hij zal ook wat in de duisternis verborgen is aan het licht brengen, en de voornemens van het hart openbaar maken. En dan zal ieder van God lof ontvangen. (1 Korinthe 4:5)
Oordeel andere Christen niet.
Het is toch niet aan mij om hen die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u immers niet alleen hen die binnen zijn? (1 Korinthe 5:12)
Oordeel andere Christenen.
Spreekt Paulus zichzelf tegen? Nee, Paulus geeft ons eenvoudig onderwijs dat er momenten zijn waarop we moeten oordelen en dat er momenten zijn waarop we niet moeten oordelen.
Wat we niet moeten oordelen
We kunnen dit begrijpen omdat we dit allemaal gedaan hebben. We weten hoe snel een misverstand of onenigheid kan leiden tot een argwaan en vervolgens tot oordeel. Als we maar wat rook waarnemen denken we al dat er vuur is.
In die gevallen moeten we Jezus’ woorden onthouden, “Oordeel niet naar wat voor ogen is, maar vel een rechtvaardig oordeel.” (Johannes 7:24)
Wat we wel moeten oordelen Christenen moeten uitdrukkelijk zondig gedrag van belijdende Christenen oordelen. Jezus zei, “aan de vrucht wordt de boom gekend.” (Mattheüs 12:33) Wanneer worden de zondige voornemens van het hart onthuld? In iemands uitdrukkelijk zondige gedrag. Daarom hoefde Paulus niet eens aanwezig te zijn om iemand te veroordelen die zich bezigheid met seksuele zonde (1 Korinthe 5:3-4). Hij gaf de Christenen in Korinthe de uitdrukkelijke opdracht om over hem een oordeel te vellen (1 Korinthe 5:12–13).
Wanneer wij zondigen, zijn onze Christelijke broeders en zusters verplicht om ons te oordelen. Ze moeten ons niet veroordelen, maar ze moeten ons, vol liefde, roepen tot bekering. Zo’n oordeel is genade, een uitdrukking van Gods goedheid (Romeinen 2:4), en we verergeren onze zonde alleen maar als we daar aanstoot aan nemen. Als onze zonde aanhoudend is en de gemeente besluit dat de tucht uitgevoerd moet worden volgens (Mattheüs 18:15–17), moeten we onthouden dat het doel daarvan ons behoudt is en niet tot verdoemenis (1 Korinthe 5:4–5).
Oordeel niet te snel
Dit is vooral belangrijk omdat de meeste situaties niet zo helder zijn als het voorbeeld in 1 Korinthe 5. Het oordelen van de verborgen voornemens van het hart en het wijzen op de zonde ligt soms dicht bij elkaar. Daarom moeten we niet te snel oordelen.










